Karma of de wet van karma is een van de meest fundamentele begrippen in de Hindu-dharma. Dit begrip vindt men niet alleen in het Hinduisme, maar ook in het Bhoeddhisme en het Jainisme. Over het begrip karma bestaan er veel misverstanden. Karma is geen menselijke boekhouding zoals sommigen beweren, want wie zou de boekhouding der mensheid moeten bijhouden, God?

Karma omvat niet alleen de handelingen der mensen, maar ook het resultaat van die handelingen. Het is de mens die de handelingen verricht en daarom is ook hij alleen verantwoordelijk voor het resultaat van zijn daden. Hij kan de verantwoordelijkheid van dit resultaat niet afschuiven op iemand anders of op God. Handeling en resultaat zijn dus geen gescheiden begrippen voor de Hindus.

De grote kosmische wet van karma is de wet van oorzaak en gevolg, van actie en reactie. Alles in de kosmos is volgens deze wet in harmonie. Volgens hindu-begrippen gebeurt er niets bij toeval. Wanneer er al sprake is van toeval, dan nog is de wet van karma in stilte werkzaam. Volgens de Hindu vormen de handelingen zoals het ademhalen, denken, spreken, waarnemen of het eten een aparte karma. Denken is bijvoorbeeld een mentale karma.

Karma is dus de totale som van al onze activiteiten. De wet van karma is dus de wet van de causaliteit. Bij elke oorzaak hoort een effect en dit effect is het gevolg van die oorzaak.

Om dit moeilijk begrip enigszins duidelijk te maken, geven wij het volgende voorbeeld:

“Gelijk een zaad de oorzaak is van een boom, zo is de boom nu het gevolg van de oorzaak (het zaad). De boom nu brengt weer zaden voort en wordt nu de oorzaak van de zaden.”

Volgens het Hinduisme is de mens drievoudig in zijn natuur. Hij bestaat uit gevoelens, kent het verlangen naar kennis en wetenschap en heeft wilsuiting. Deze drie hoedanigheden van de mens vormen zijn karma. Hij kent voorwerpen als een boom, een huis of een tafel. Hij ondervindt vreugde en verdriet. Hij wilt dit wel en dat niet doen. Achter de activiteiten van de mens gaan verlangens en gedachten schuil. Het verlangen ontstaat om iets te bezitten, vervolgens moet er over nagedacht worden hoe men het verlangde object in zijn bezit kan krijgen. De nodige handelingen worden verricht om het begeerde doel te bereiken. Verlangens, gedachten en activiteiten vergezellen elkaar, zij zijn niet los van elkaar te denken.

Het zijn deze drie draden die het karma-koord vormen. Hieruit volgt dus dat karma een essentieel onderdeel is van de menselijke natuur, maar zeker niet verward mag worden met het blinde noodlot. Onze verlangens hebben karmas tot gevolg en de karmas brengen pijn en plezier.

De Hindu gelooft dat elke begeerte bevredigd met worden. Om deze begeerte, die wij zelf oproepen, telkens weer te bevredigen, moet de mens keer op keer in een aards bestaan terugkeren. Dit noemt de Hindu samsara, de wet van karma.

De wet van karma werkt feilloos. Als men een slechte daad verricht, dan zal dit leiden tot een slecht resultaat en zal lijden het gevolg zijn. Bij een goede daad is het resultaat geluk en tevredenheid. Hieruit volgt dat het evenwicht in de kosmos wordt bepaald door de wet van karma.

Karma is dus niet het blinde noodlot, maar het lot dat men in eigen hand heeft, Daarom kan geen enkele macht ter wereld onze daden teniet doen. Wij worden beloond of gestraft overeenkomstig onze eigen daden. “Wat men zaait, zal men oogsten”.

Daar wij zelf de oorzaak zijn van onze daden, kunnen wij zelf alleen die teniet doen. Gelijk een pottenbakker, die uit een nat stuk klei een mooie vaas modelleert, maar de klei daarna weer tot een klont perst om een nieuwe en mooiere vaas te maken, zo kunnen wij te allen tijde onze karmas beïnvloeden.

De mens staat boven de karma-wetten, hij moet zich alleen realiseren dat ze bestaan. De steeds weer opnieuw oplopende begeerten zijn dan de oorzaak van nieuwe karmas. Als de mens begint met het beteugelen van zijn begeerten, dan heeft hij de eerste stap gezet naar de weg van verlossing uit de cyclus van dood en geboorte naar volkomen geluk. Zo is de wet van karma, de wet van de kosmische rechtvaardigheid die evenwicht, orde en harmonie schept in het ganse heelal.

De Hindugeschriften spreken van drie soorten karmas: de Sanchita, de Prarabdha en de Agami, De Sanchita-karmas zijn onze geaccumuleerde activiteiten. De Prarabdha-karmas omvatten de vruchtdragende activiteiten en de Agami-karmas de komende activiteiten, dus die activiteiten die nog niet afgelopen zijn.

De Sanchita als geaccumuleerde karmas van het verleden vormen het karakter van de mens met al zijn vermogens, verlangens en neigingen. De Prarabdha-karmas zijn de oorzaak van de menselijke vorm (zijn omhulsel, zijn lichaam) in zijn tegenwoordige incarnatie. Met andere woorden, dat gedeelte van de Sanchita-karma dat het menselijk zijn in zijn huidige incarnatie bepaalt en beïnvloedt, wordt Prarabdha-karma genoemd. Deze karma kan niet veranderd, voorkomen of vernietigd worden. Het is onmogelijk het in zijn ban te stuiten. Zijn werking houdt alleen op wanneer de mens de zelfrealisatie heeft bereikt. De Prarabdha-karma is dus de karma in werking die vruchten afwerpt en voortkomt uit de Sanchita-karma. Agami is de karma die nu wordt gemaakt voor de toekomst. Deze karma wordt ook wel de Kriyamana of Vartamana-karma genoemd. In de Vedanta-geschriften worden de verschillende karmas als volgt gesymboliseerd:

“Een boogschutter schiet een pijl af, die pijl verlaat zijn hand en zijn boog. Hij kan die pijl niet meer terug laten komen, de baan ervan wijzigen of beïnvloeden. De afgeschoten pijl moet zijn baan volgen en zal zijn doel bereiken. De boogschutter wil nu een tweede pijl gaan afschieten”.

De pijlenbundel op de rug van de boogschutter is het beeld van de Sanchita-karma, de som der karmas. De pijl die al is afgeschoten,verbeeldt de Prarabdha-karma en de tweede pijl, die de schutter wil afschieten, is de Agami-karma.

(Bron: Pandit Balram Patandin, 5 juwelen van het Hinduisme)