Achttien dagen lang heerste er een verschrikkelijke oorlog tussen de Kaurava’s en de Pandava’s op het slagveld van Kurukshetra. De Pandava’s hadden een leger bestaande uit zeven akshouhini’s (een akshouhini bestaat uit 21,870 olifanten, 21,870 wagens, 65,610 paarden en 109,350 soldaten te voet), het leger van de Kaurava’s daarentegen bestond uit elf akshouhinis. Beide legers waren aan het eind van de oorlog practisch vernietigd. Duryodhan, zijn broers en vrienden stierven in de strijd. Aan de kant van de Pandava’s stierven ook een groot aantal machtige strijders.

Dharmaraj Yudhishtira had graag deze oorlog vermeden en ook Vidur en Shri Krishna Bhagvaan hebben hun uiterste best hiervoor gedaan, maar het mocht allemaal niet baten. Dhritirashtra en Gandhaari waren beiden oud, Dhritirashtra was blind en hun 100 kinderen en familieleden waren dood. Hun verdriet was niet uit te drukken, zij verkeerden in angst en het was erg moeilijk hen gerust te stellen.

Vidur probeerde Dhritirashtra te kalmeren en zei: “Verlangen is de bron van ellende. Filosofie is het medicijn. Hebt controle over uw geest en verbant verdriet. Weest vriendelijk tot anderen, het komt allemaal goed.” Maar geen enkel woord kon Gandhaari en Dhritirashtra doen bedaren. Zij hadden hun kinderen en kleinkinderen verloren en het verdriet was te groot. Dharmaraj Yudhishtira deed alles wat hij kon om hun pijn te verminderen en hen rust en vrede te bezorgen. Nadat hij koning werd, wees hij Vidur aan als zijn minister. Hij kreeg de taak om te letten op Dhritirashtra en Gandhaari en hun wensen uit te voeren. Vidur deed dit alles met grote devotie. Dhritirashtra en Gandhaari hadden nu een beetje mentale vrede.

Dhritirashtra realiseerde dat als hij vanaf het begin af aan al Vidurs adviezen had opgevolgd hij en Gandhaari niet zoveel zouden hoeven te lijden onder al dit verdriet.

Na de oorlog in Kurukshetra leefden Dhritirashtra en Gandhaari achttien jaar lang onder de zorg van Dharmaraj Yudhishtira. Op een zekere dag ontbood Dhritirashtra Dharmaraj Yudhishtira en vertelde hem dat hij en zijn vrouw naar het bos zouden gaan voor hun tapasya.

Toen Kunti hierachter kwam, besloot ze ook met hen mee te gaan, Vidur deed hetzelfde. Ondanks vele pogingen van de Pandava’s en Draupadi om hen tegen te houden, gingen de vier naar het bos. Zowel degenen in het paleis als de burgers namen respectvol afscheid.

Zelfs nadat ze al in het bos waren, dachten de Pandava’s constant aan hen. Dhritirashtra was een blinde oude man en Gandhaari een oude vrouw net als Kunti. De laatste was ook niet zo sterk meer als vroeger, hoe zou zij op de twee anderen kunnen letten? Deze gedachten zorgden ervoor dat de Pandava’s hen gingen bezoeken in het bos. Een aantal burgers ging met hen mee.

Ze vonden Kunti, Gandhaari en Dhritirashtra in een ashram op de weg naar de rivier. Met zijn allen gingen ze toen naar de ashram om tot elkaar te praten en toen vroeg Dharmaraj Yudhishtira: “Waar is oom Vidur?” Dhritirashtra antwoordde: “Het gaat goed met hem, maar hij woont niet samen met ons. Hij leeft alleen en doet zware tapasya. Hij vast ook zwaar. Soms komt hij ons wel opzoeken.”

Dharmaraj Yudhishtira wilde Vidur ontmoeten, het maakte hem niet uit hoeveel moeite het hem zou kosten. Toen zag iemand Vidur plotseling langslopen, hij kwam naar de ashram en toen hij zoveel mensen zag, liep hij snel weg. Dharmaraj Yudhishtira zag Vidur en rende naar hem toe. Vidur liep steeds sneller en ging een dichtbegroeid bos binnen. Dharmaraj Yudishtir ging achter hem aan. Af en toe ving hij een glimp op van zijn oom en dan verdween Vidur weer. Daarom besloot hij om Vidur te roepen, maar in de verte zag hij Vidur zitten op een afgelegen plaats leunend tegen een boom. Hij liep naar Vidur toe en keek naar hem. Vidurs lichaam was uitgemergeld, zijn aderen waren duidelijk te zien, zijn haren waren dof. Er zat een houtsplinter in zijn mond en hij had geen kleren aan. Zijn lichaam was bedekt met stof.

Dharmaraj Yudhishtira ging dichterbij en zei: “Ik ben het, Yudhishtira.” Vidur had een eed afgelegd om met niemand te praten en maakte Dharmaraj Yudishtir duidelijk dat hij moest stoppen waar hij was. Toen keek Vidur in zijn ogen en toen leek het voor Dharmaraj Yudhishtira zo te zijn dat de krachten die Vidur had verdiend in zijn eigen lichaam binnenkwamen. Hij voelde een nieuwe kracht en straling in zijn lichaam. Dharmaraj Yudishtir ontwaakte uit deze trance en keek naar Vidur, wiens lichaam levenloos op de grond lag.
Vidur bezet een unieke plaats tussen de kleurrijke karakters uit de Mahabharat. Vidur was een groots man zonder enige gebreken. Hij was een perfecte man. Hij was de belichaming van Dharm zelf. Nooit deed hij iets wat tegen de Dharm inging. Hij aarzelde nooit om te zeggen wat naar zijn mening juist en onjuist was. Dat was zijn grootsheid.

Het was correct dat de essentie van het Dharmische leven van Vidur op het moment van zijn dood aan Dharmaraj Yudhishtira is overgedragen. Dharmaraj Yudhishtira volgde net als Vidur de Dharm. Dit geeft aan dat de oude traditie van Dharm ononderbroken stroomt.