De koning en zijn gezin waren aangekomen in een nieuwe stad en alles hier was vreemd voor hen. Hoe moest de koning aan geld komen om zijn schulden af te lossen? De uiterste datum om de belasting te betalen kwam steeds dichterbij en dan kwam Nakshatraka ook nog eens achter ze aan om te ze ergeren. De hulpeloze en wanhopige Harischandra baadde in het water van onze heilige Ganga Mata en ging naar de Mandir om te bidden. Zelfs daarna nog was hij rusteloos. Koningin Chandramati suggeerde toen zelf: “Waarom verkoop je mij en je zoon niet? Zo kan je tenminste je schulden afbetalen.” Harischandra was geschokt, hoe kan iemand zijn vrouw en zoon verkopen? Zijn vrouw ging verder: “Zijn je vrouw en zoon belangrijker voor jou dan je eer? Aarzel niet, wij nemen je het niet kwalijk. Ga alsjeblieft je gang.”
Er was geen enkele weg hieruit. De machtige vorst van Shri Ram Bhagvaans lijn bereidde zich voor om zijn vrouw en zoon te verkopen. Hij ging huilend van straat naar straat als een straathandelaar om zijn vrouw en zoon te koop aan te bieden. Uiteindelijk werden zij tot hun ongeluk benaderd door een Brahman. Hij vond de vrouw maar niets en zei dat ze oud was, de jongen was een zwakkeling. Hij kibbelde maar kocht hen uiteindelijk toch. Toen de koning het geld aan Nakshatraka betaalde trok hij zijn dagelijkse loon af en de schuld die koning Harischandra had was nog steeds niet afbetaald.

De laatste dag waarop hij zijn schuld kon aflossen kwam dichterbij en hij werd steeds rustelozer. Hij was zelfs bereid zichzelf te verkopen. Hij plaatste een strootje op zijn hoofd en rende huilend de straten op: “Ik ben een koning van de Ikshvaku dynastie. Ik bied mijzelf te koop aan.” Zo rende hij van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat door de straten van Varanasi.

Uiteindelijk kwam er een koper tevoorschijn. Dit was Veerabahu, het hoofd van het crematorium. Hij had flink gedronken en was flink onder invloed van alle alcohol. Hij bood aan Harischandra te kopen en hij begon te twijfelen of het wel goed was voor een Ikshvaku koning om zichzelf aan zo iemand te verkopen. De grote last op zijn schouders echter zorgde ervoor dat hij zichzelf uiteindelijk toch maar aan Veerabahu verkocht.

Nu was Harischandra echt zaken aan het doen en voorzichtig bepaalde hij zijn prijs: “Ik wil zoveel goud, dat als het opgestapeld wordt, het de hoogte bereikt van een man die op de rug van een olifant staat. Dat is mijn prijs.”
“Als ik je zoveel goud geef, dat een olifant zal bedekken, wat zal dan de hoeveelheid werk zijn die jij zal verrichten?”, vroeg Veerabahu. Harischandra zei: “Ik ben uw dienaar. Ik zal alles doen wat u me opdraagt.” Toen gooide Veerabahu een grote som geld op de grond en nam de koning van Ayodhya aan als zijn dienaar. Hij vertelde hem dat het zijn werk zou zijn om het crematorium te bewaken en te beheren.

Harischandra gaf al het goud aan Nakshatraka, die zich schaamde. Hij dacht na over de wreedheid van zijn Guruji en de adelstand van de koning. “Ik ben erg fortuinlijk geweest om zulke nabijheid van de koning te mogen zijn.”, mijmerde hij en hij vertrok naar zijn meester om al het goud te overhandigen.

Rishi Vishvamitra was woedend toen Nakshatraka terugkwam met het geld. Hij was een man tegenkomen, die ongeslagen bleef ondanks alle beproevingen. Hij dacht na en wilde het weer proberen. Dit keer bedacht hij nog schrikwekkendere beproevingen voor de koning.

Chandramati en Rohitashwa, de koningin en haar zoon, leefden nu als slaven in het huis van de Brahman. Hij was als een slechte avatar van Rishi Vishvamitra: hij kwelde ze eindeloos. Vanaf vroeg in de ochtend tot laat in de avond deden zij alle slavenwerk. Ze moesten afzien en verhongerden. Hun meester beledigde ze vaak met groffe woorden. Hun leven was vol van bloed en tranen. Nog steeds hadden ze hoop en keken vooruit naar betere tijden.

Op een dag toen Rohitashwa hout ging verzamelen in het bos, werd hij gebeten door een slang. Toen dit nieuws het huis bereikte was het al aan het schemeren. Chandramati’s hart brak van verdriet, het enige wat zij had in deze tijden van onwaardigheid en ellende was haar zoon, maar nu was ze ook hem kwijt en waren haar handen helemaal leeg. Veel tijd om te rouwen had zij niet, want het lichaam van haar zoon lag nog steeds in het bos en moest gecremeerd worden.

Zelfs toen ze naar buiten wilde gaan om het lichaam van haar zoon te cremeren, had zij toestemming van haar meester nodig. Hij was erg hard en zou zijn toestemming alleen geven wanneer zij al haar taken had volbracht. Ze was ontroostbaar en ging aan het einde van de dag naar het bos om het lichaam te zoeken. Na lang zoeken vond ze het en huilde aan één stuk door. Ze tilde het lichaam op en ging naar het crematorium. Daar legde zij het lichaam neer en omdat zij geen geld had om hout te kopen, verzamelde ze halfverbrande houtstukken bij elkaar en plaatste het lichaam van haar zoon hierop. Toen wilde ze het hout in brand steken.

Op dat moment pakte Harischandra, die daar de wacht hield, haar fakkel af en gooide deze op de grond. Hij hield het lichaam van zijn zoon vast bij één teen en gooide het van de houtstapel af. Chandramati stond stomverbaasd te kijken. Ze huilde van verdriet en sprak hem tegen: “Nee, nee! Hij is mijn zoon. Geef me alsjeblieft toestemming om hem te cremeren.”

“Voordat je het lichaam cremeert, moet je de kleren weghalen en aan mij geven. Ook moet je het verschuldigde bedrag betalen voor de crematie.” zei Harischandra. Zijn vrouw zei: “Ik ben een arme slaaf, ik heb geen geld om dit te betalen.” Harischandra had zijn antwoord al klaar: “Dan moet je maar je mangalsutra verkopen en met de opbrengst betalen.”

Ze werd nog verdrietiger dan eerst. Toen Harischandra over haar mangalsutra begon, vreesde voor het leven van haar man. Ze beefde van angst en huilde vanwege haar uitzichtloze situatie. Haar zoon, een prins, stierf een ellendige dood en zij, Harischandra’s koningin, kon de kosten voor de crematie niet eens betalen.