De negende en laatste van onze negen vijanden die wij tijdens Navatri proberen te overwinnen is Ahankara. Ahankara betekent letterlijk ‘ik vorming’ of ‘ik aankondiging’ en wordt vaak vertaald als egoïsme met als gevolg arrogantie. Het is het proces waar een persoon zichzelf onderscheidt van een ander. Het is de vorming van het ego. Wanneer er wordt gesproken over ahankara in de geschriften dan wordt iemand bedoeld die zichzelf als hoger of verwijderd ziet van een ander. Het laat iemand zich hechten aan de illusie van de materiële wereld. “Mijn huis; ik heb het gemaakt; dankzij mij is het zoals het is; ik ben mooi; ik ben lelijk; ik ben slimmer dan de ander;” Deze gedachten worden materiële gedachten genoemd.

Ahankara wordt gezien als de wortel van alle andere negatieve eigenschappen. Kama/lust, krodha/woede, mad/vol zijn, lobha/hebzucht, moha/zelfbedrog, irsha/jaloezie, dvesh/haat en jalan/misgunnen zijn allemaal pas mogelijk als iemand ahankara in zich heeft opgewekt.

Jaloezie heb je pas als je begeerte voelt voor iets van een ander, als je vindt dat jij het hoort te verdienen en niet de ander. Iemand misgunnen kan pas als je jezelf ziet als beter en hoger dan een ander, zodat jij kan bepalen wat een ander wel of niet verdient. Hebzucht kan je pas ontwikkelen als je vindt dat je meer hoort te hebben dan dat je nodig hebt. Het ego wilt altijd meer hebben en vindt ook dat het meer verdient. Zo zijn alle negatieve eigenschappen een gevolg van het egoïsme.

Ahankara is heel moeilijk te overwinnen omdat het een verandering in perspectief vergt op drie niveaus. Hoe je kijkt naar de wereld en natuur, hoe je kijkt naar jouw medemens en hoe je kijkt naar God bepalen hoe groot jouw ego is. Hoe meer verwijderd jij jezelf ziet van het ander, hoe groter de leegte tussen jou en het ander. En hoe groter deze leegte wordt, hoe meer het gevuld wordt met jouw ego.

Je ziet deze manifestatie bijvoorbeeld in hoe egoïstisch mensen met de natuur omgaan. Omdat zij zich ver verwijderd voelen van de natuur en van dieren, schaden zij de natuur en is men zo makkelijk wreed tegen dieren. Dat zou veel minder makkelijk kunnen als mensen zich één voelden met de natuur, de planten en de dieren.

Dit is precies hetzelfde als hoe mensen met elkaar omgaan. Hoe minder je de ander ziet als deel van jezelf, hoe makkelijker het is om een ego te hebben en je egoïstisch op te stellen tegen een ander. Je ziet het manifesteren in hoe mensen makkelijk elkaar gebruiken en misbruiken zonder mededogen/daya voor de ander te voelen.

Ook zie je het tussen mens en God. Hoe verder verwijderd een mens zich voelt van God, hoe makkelijker hij de naam van God kan misbruiken en hoe schijnheiliger hij om kan gaan met de naam van God. Het ego misbruikt de naam van God puur om eigenbelang, om eigen verheerlijking.

Om je perspectief te veranderen zou je moeten beseffen dat jij een onderdeel van God bent en dat God een onderdeel is van jou. Dat jij en Bhagvaan samen één geheel zijn. Als je eenmaal ziet dat Bhagvaan en jij één zijn, dan kan je ook zien dat jouw medemens en Bhagvaan ook één zijn en daardoor jij en jouw medemens samen ook één zijn. Alles wat je een ander aandoet en hoe je kijkt naar een ander heeft effect op Bhagvaan en dus ook direct effect op jou. Zo ook heeft het effect op jou als je egoïstisch omgaat met de natuur en de dieren.

Als je ziet dat het allemaal verbonden is, dan is er alleen sprake van functie, uitvoering en een deel van het geheel en niet meer in termen van hoog en laag en ook niet in termen van ‘ik’ en ‘de ander’. Hoe dichterbij jij je voelt met de ander, hoe minder ruimte er is voor het ego om groeien.

Een mooi vers dat ons allemaal herinnert om onze ego opzij te zetten en het Goddelijke in alles te herkennen is:

Siya Ram may, sab jag jaani, karahu pranaam jor jug pani.
Ik herken God in de totale creatie, daarom buig ik met respect voor mens, plant, dier en water.

Hoe veel mooier zou een maatschappij zijn als mensen dit principe zouden toepassen?