In de vroege dagen van zijn tijd bij zijn Acharya moest Nachiketa wel wennen, want hij vond het moeilijk om alle regels van de Ashram te volgen. Langzaam aan raakte hij wel gewend en de gedachten naar zijn thuis zwakten af. Nu was hij slechts bezig met drie dingen: de Ashram, zijn Acharya en zijn studie. Er waren andere leerlingen in de Ashram die  ouder waren, maar Nachiketa was de eerste die erin slaagde alle disciplines onder de knie te krijgen.

‘s Ochtends stond hij als eerste op en ging vervolgens zwemmen en baden in de nabije rivier. Daarna kreeg hij les over de Veda’s. De Acharya zat altijd op een hoge stoel en doceerde, de leerlingen zaten op een mat die uitgespreid was over de vloer. Na de lessen gingen zij eten verzamelen bij andere Ashrams of bij huizen van mensen. Dit was geen individuele taak, alle studenten moesten samen het voedsel verzamelen en ook samen zouden zij eten na door hun Acharya te zijn gezegend. Nadat zij alle werk hadden gedaan, mochten zij gaan slapen op matten.

In de middag kregen de leerlingen taken zoals kleren wassen, bloemen plukken, hout halen, plantjes water geven etcetera. Nachiketa zorgde altijd dat hij zijn werk goed deed en zodra hij hoorde dat zijn Acharya hem riep, sprong hij op en vroeg met gevouwen handen wat zijn opdracht was. Eigenlijk was dit helemaal niet nodig, want aan de gezichtsuitdrukking van zijn Acharya kon hij al zien wat hij moest doen. Ook had hij een unieke methode van leren. Het was voor hem al voldoende iets één keer te horen en daarna kende hij het al.

Zijn honger naar kennis was onverzadigbaar. Elke dag leerde hij een nieuwe les en nooit vergat hij wat hij had geleerd. Voor zijn Acharya was het een plezier om Nachiketa les te geven. Nachiketa werd ook geprezen door de mensen die in de buurt van de Ashram woonden. Ze vroegen zich altijd af hoe gelukkig zijn ouders moesten zijn.

Jaren later toen Nachiketa twaalf jaar oud was, gebeurde er iets ergs in de Ashram. De zwarte koe, op wie Nachiketa erg gesteld was, stierf en het verdriet van Nachiketa leek geen einde te kennen. Hem troostend zei zijn Acharya: “Nachiketa, wat is het nut van huilen om een dode koe? Wie dood is, komt niet meer terug. Iedereen moet een keertje doodgaan.”

Nachiketa kon niet geloven dat de koe dood was, want hij zag de koe nog steeds liggen. Toen sprak de Acharya over Yamaraj en direct herinnerde Nachiketa zich het gesprek met zijn moeder. Hij vertelde de Acharya dat hij sindsdien de wens had om Yamaraj te ontmoeten en glimlachend sprak zijn Acharya: “Dat is niet makkelijk jongen. Yamaraj ontmoeten betekent dat je moet sterven en die personen keren nooit terug.” Nachiketa trok teleurgesteld de conclusie dat het onmogelijk was zijn wens in vervulling te laten gaan. De Acharya echter reageerde dat het slechts voor weinigen was weggelegd. Zo iemand moest veel tapasya hebben gedaan en tot nu toe had niemand het gedurfd.

Nachiketa bleef nog denken aan het gesprek met zijn Acharya en uiteindelijk zei hij tegen zichzelf: “We zullen zien wat de gevolgen zijn, maar ik moet en zal Yamaraj ontmoeten.”

Vishwajit Yagya

In de tussentijd was Rishi Vajashravas, de vader van Nachiketa, bezig voorbereidingen te treffen voor een offer, de Vishwajit yagya, en stuurde uitnodigingen naar alle Rishi’s. Hij ging persoonlijk naar de Acharya van zijn zoon en verzocht de uitnodiging te accepteren en al zijn leerlingen mee te nemen.

Toen de dag van het offer was aangebroken vertrok de Acharya met al zijn leerlingen naar Rishi Vajashravas. Onderweg vroeg Nachiketa: “Acharya, waarom voert mijn vader dit offer uit? Wat is het doel van de Vishwajit yagya?” Zijn Acharya legde uit dat de letterlijke betekenis van ‘Vishwajit’ het overwinnen van de wereld is en dat dit offer wordt uitgevoerd om roem in deze wereld te bereiken en geluk in de volgende.

Toen zei Nachiketa dat hij van zijn moeder had geleerd dat mensen goede handelingen moesen verrichten en dus een goed leven moesten leiden om de hemel te bereiken. Zijn Acharya legde hem toen uit dat het uitvoeren van een offer even goed is als het uitvoeren van goede daden, want een groot aantal mensen krijgen te eten en duizenden koeien worden geschonken tijdens deze periode. Daarnaast is een regel van deze yagya dat degene die het offer uitvoert alles moet weggeven dat hij bezit.

Nachiketa vroeg wat voor zaken er allemaal weggegeven moesten worden en de Acharya antwoordde dat het van alles kon zijn. Als het maar dierbaar was aan degene die het offer uitvoerde en nuttig is voor de ontvanger. Nachiketa vroeg toen of zijn vader hem ook weg kon geven, want ook hij was heel dierbaar aan Rishi Vajashravas. Zijn Acharya stelde hem gerust: “Nachiketa, je hebt een hele goede vraag gesteld, maar waar is de noodzaak om jou weg te geven? Maak je geen zorgen, je vader zal jou aan niemand weggeven.”

Na een lange tocht kwam het gezelschap aan bij het ouderlijk huis van Nachiketa. Zodra hij zijn huis zag, rende hij naar zijn moeder en groette haar met veel eerbied. Zijn moeder was uiteraard erg blij haar zoon na zo een lange tijd weer te zien.

Voordat het offer zou beginnen hadden oudere Rishi’s Rishi Vajashravas gewaarschuwd: “Rishi, u moet niet boos worden tijdens het uitvoeren van het offer. Elk woord dat u uit, moet vertaald worden naar een handeling, anders zal al uw moeite voor niets zijn geweest.”

Nachiketa wil ook weggegeven worden

Op een middag zou Rishi Vajashravas de koeien weggeven en toen hij door de Pandits hierop werd geattendeerd, reageerde hij meteen. Hij haalde de koeien uit de stal en verzamelde deze. Enkele koeien waren uitgehongerd, zij waren zelfs te zwak om zelf water te drinken. Andere koeien hadden hun tanden verloren en weer anderen waren zo oud dat zij elk moment konden sterven.

Nachiketa was erg verbaasd dit te zien, hij was in de war vanwege al deze zieke koeien. Hij dacht in zichzelf: “Wat heeft dit te betekenen? Wat is er gebeurd met alle gezonde koeien? Wat heeft mij vader eraan als hij zieke en oude koeien weggeeft? Of vindt hij de koeien moeilijk te onderhouden en laat hij dat nu aan een ander? Dit is in elk geval niet minder dan een zonde, dit is bedriegen. Hij wil de hemel bereiken door het offer uit te voeren, maar in plaats daarvan zal hij naar de hel gaan vanwege zulke daden.” Nachiketa beefde bij de gedachte aan de hel en kon zijn verdriet niet verdringen.

Hij wilde niet dat zijn vader naar de hel zou gaan en was vastbesloten zijn vader te helpen. Het enige probleem was de uitleg aan zijn vader. Dit moest nu gebeuren, maar hoe moest hij dit doen? Zijn vader zou zeker boos worden en hij dacht diep na over hoe hij verder moest gaan.

Nachiketa was in gedachten verzonken, maar zijn tijd raakte op. Toen bedacht hij zich dat het één van de regels van het offer was dat dierbare zaken weggegeven moesten worden, maar zijn vader gaf juist dingen weg die hij niet wilde. De jongen dacht dat zijn vader dit waarschijnlijk voor hem deed, wat betekent dat Nachiketa het dierbaarst is voor zijn vader. Dus als Rishi Vajashravas Nachiketa weg zou geven, zou alles goed komen.

Voor Nachiketa was het welzijn van zijn vader het belangrijkste en hij besloot dat zijn vader overtuigd moest worden om ook hem weg te geven, alleen dan kon dit als offer worden gezien. Daarom ging hij naar zijn vader en vroeg voorzichtig: “Vader, aan wie geeft u mij als een gift?” De Rishi keek naar zijn zoon, maar vond het niet gepast om te antwoorden op zo een domme vraag, want hij was bezig met het voorbereiden voor de ceremonie waarbij hij zaken weg zou geven. Nachiketa herhaalde de vraag met een luidere stem: “Vader, aan wie zal u mij weggeven?”

De Rishi beheerste zijn woede, maar bleef stil. Nachiketa was echter niet iemand die gauw opgaf en denkend dat zijn vader hem niet had gehoord, vroeg hij het met nog luidere stem zodat iedereen alles kon horen: “Alstublieft vader, vertelt mij aan wie u mij zal geven.” Nu kon Rishi Vajashravas zich niet langer beheersen. Vol van woede en alle regels van het offer brekend, schreeuwde hij: “Ga weg van hier, ik zal jou aan de Yamaraj geven!”

De oudere Rishi’s schrokken en stopten meteen met het reciteren van de heilige mantra’s. Ze stonden op en vroegen in koor: “Wat hebt u gedaan, Rishi Vajasharavas? U heb zojuist verklaard uw zoon weg te geven aan Yamaraj, nu zal u dit ook echt moeten doen anders moeten wij nu meteen stoppen. Wat gaat u doen?

De Rishi realiseerde zich zijn fout, maar het was nu te laat. “Ik had die woorden nooit mogen zeggen, wat zal er nu gebeuren?” zei hij. Hij werd verdrietig en ging naar zijn hut. Geen enkel woord kon de toestand van zijn vrouw beschrijven, Vishwavaradevi was sprakeloos. Continu vloeiden er tranen uit haar ogen.

Nachiketa ging op zoek naar zijn vader en zag hoeveel verdriet zijn ouders hadden. Toen vroeg hij zich af: “Waarom moet mijn vader het erg vinden als hij mij aan Yamaraj heeft gegeven? Dit betekent niets anders dan Yamaraj ontmoeten.” Toen ging hij naar zijn vader toe en sprak: “Vader, wat gebeurd is, is gebeurd. Behoren wij niet tot de geweldige familie van Gautama en Arani? Zij hielden zich altijd aan hun woord, dus dat zullen wij ook doen.”

“O, wat een zonde heb ik begaan!” zei Rishi Vajashravas terwijl hij zijn zoon in zijn armen nam.