De Ramayana in shloka’s
Narada-Valmiki-desibantuNarad Muni kwam naar de ashram van Maharishi Valmiki. Maharishi Valmiki was zeer verheugd door dit onverwachte bezoek. Hij was zeer gastvrij en bood melk en vruchten aan. Maharishi Valmiki en zijn leerlingen zaten met gevouwen handen voor Narad. Toen zei de Maharishi: “Sire, U bent in alle werelden geweest en dus weet U wat er overal gebeurt. U kunt mijn vragen zeker beantwoorden. Alstublieft vertelt U mij, wie is de meest moedige persoon onder alle mensen op aarde? Wie spreekt altijd de waarheid en is altijd beleefd? Wie is hij, wie wenst het beste voor iedereen en wie wordt door iedereen geliefd? Wie is de man, wiens woorden en daden door de Goden geprijsd worden? Wie staat bekend als de grootste held en de nobelste van alle mannen op de wereld?”

Op al deze vragen had Narad Muni maar één antwoord: Shri Ram. Narad Muni vertelde hoe Shri Ram geboren was als oudste zoon van koning Dasrath, trouwde met Sita Devi en 14 jaar lang naar het bos ging, opdat het woord van zijn vader niet gebroken zou worden. In detail vertelde hij hoe Ravana Sita Devi had geroofd, hoe Shri Ram die slechte persoon strafte, met zijn vrouw en broer terugkwam naar Ayodhya en uiteindelijk tot koning gekroond werd. Toen hij dit alles hoorde, was Maharishi Valmiki erg blij. Hij prees Narad Muni en boog voor hem. De goddelijke wijze zegende hem en vertrok.

Een tijdje nadat Narad Muni zijn weg vervolgde, ging Maharishi Valmiki naar de Ganges om een bad te nemen. Eén van zijn leerlingen, Bharadwaja, liep achter hem aan met zijn kleren. Onderweg kwamen zij langs de stroom Tamasa, waarin het water hierin heel helder was. Maharishi Valmiki sprak tot zijn leerling: “Kijk hoe helder dit water is, net zo helder als de geest van een goed mens! Vandaag zal ik hier baden.”

Maharishi Valmiki zocht een geschikte plaats om het water in te gaan, toen hij het zoete gezang van vogels hoorde. Hij keek naar boven en zag de vogels samen vliegen en deze aanblik vervulde hem van blijdschap. Plotseling viel één van de vogels naar beneden, want deze was geraakt door een pijl en het was de mannelijke vogel die geraakt was. De andere vogel schreeuwde het uit, toen zij naar haar gewonde metgezel keek. Maharishi Valmiki was bedroefd en draaide om zich heen om te kijken wie de pijl had afgeschoten. Hij zag een jager met pijl en boog. De jager schoot de vogel neer om hem daarna op te kunnen eten. Maharishi Valmiki was erg boos. Hij schreeuwde: “Jij hebt er één uit een gelukkig paar neergeschoten, moge jijzelf niet lang leven!” Natuurlijk sprak hij in Sanskriet. Het ritme, dat hij gebruikte, wordt in het Sanskriet shloka genoemd, dit betekent couplet. Een shloka was geboren uit zijn verdriet.

De trieste gebeurtenis met de vogels zorgde ervoor dat Maharishi Valmiki de jager had vervloekt, maar hij voelde zich ongelukkig, omdat hij dat had gedaan. Hij toonde zijn verdriet aan Bharadwaja, die bij hem was. Wel was hij verrast dat een shloka uit zijn mond was gekomen. Tijdens het baden dacht hij alleen hieraan. Toen hij terugliep naar zijn ashram en de hele tijd daarna, dacht hij alleen maar aan de shloka.

Terwijl in de gedachten van Valmiki alleen de shloka rondwandelde verscheen Brahma Bhagvaan, de God van de Schepping, voor hem. Hij zei tegen Maharishi Valmiki: “O grote wijze, de shloka die van jouw lippen kwam, is door Mij geïnspireerd. Nu zal jij de Ramayan schrijven in de vorm van shloka’s. Narad Muni vertelde jou reeds het verhaal van de Ramayan. Jij zal met je eigen ogen alles, wat er gebeurde, zien. Alles wat jij schrijft zal waar zijn. Jouw woorden zullen de waarheid zijn. Zolang als er rivieren en bergen op de wereld zijn, zullen mensen de Ramayan lezen.” Na deze woorden te hebben gesproken, zegende Brahma Bhagvaan hem en verdween.

Valmiki schreef de Ramayan. Hij leerde de shloka’s eerst aan de zoons van Shri Ram, Lava en Kusha. Zij waren als tweeling geboren in de ashram van Valmiki en waren daar ook grootgebracht. Waarom groeiden zij, prinsen, op in een ashram? Ook dat is een interessant verhaal.

Een koningin komt naar de ashram
Nadat Shri Ram zijn vrouw Sita had teruggehaald van Ravana, ging hij terug naar Ayodhya. Zijn vrouw en broer gingen natuurlijk met hem mee. Daar werd hij tot koning gekroond van het land Kosala en Sita Devi was nu dus koningin. Iedereen was gelukkig, ook de onderdanen waren blij. Na een paar jaar raakte Sita Devi in verwachting. Shri Ram was heel blij dat zijn familie spoedig uitgebreid zou worden. Hij zei tegen haar: “Sita, Je zal spoedig een kind krijgen en Je zal vast een bepaalde wens hebben. Vertel het Me en Ik zal Je wens vervullen.”

Sita Devi glimlachte en zei: ”Mijn Heer, wat heb Ik nog te wensen? Het enige wat Ik wil is Uw geluk en liefde. Toch is er een heel klein dingetje wat Ik zou willen noemen. Toen Wij jaren geleden in het bos woonden, gingen Wij naar de hutten van de Rishi’s, maar Ik heb hun vrouwen nooit iets kunnen geven. Kan Ik nu gaan en hen geschenken geven, zodat Mijn hart tevreden zal zijn? Ik zou graag een beetje tijd met hen door willen brengen.” Shri Ram was het hiermee eens en vervulde Haar wens.

Na een paar dagen zat Shri Ram op een zekere ochtend in Zijn kamer na te denken over Zijn plichten als koning. Toen Hij daar rustig zat na te denken, werd Hij benaderd door een spion. Het werk van deze spion was om zichzelf ‘s nachts te vermommen en naar de woorden van diverse personen luisteren. Deze ochtend had hij een gesprek met de koning en rapporteerde hij alles wat hij had gehoord. Hij zei tegen Shri Ram: “Sire, de inwoners van Ayodhya prijzen U. Er zijn echter enkele mensen, die geen goede woorden over hebben voor uw daden: ‘Koningin Sita was een gevangene in het paleis was Ravana. Hij is de koning van de Rakshas (demonen) en een gewiekste kerel. Wat zou er daar met Sita Devi gebeurd zijn? Wie was zijn gevangene? Shri Ram had Haar niet terug moeten brengen.’ Ik heb een aantal mensen zo horen spreken.”

Het deed Shri Ram veel pijn om dit te horen. Hij wist dat Sita Devi alleen maar aan Hem dacht, maar een koning moet altijd zorgen dat zijn onderdanen tevreden zijn. Dat is de kwaliteit van een goede koning en daarom besloot Shri Ram om Sita Devi op te geven. Hij ontbood Zijn broer Shri Lakshman en vertelde Hem alles wat Hij van de spion had gehoord. Hij vroeg Zijn broer Sita Devi gelijk mee te nemen en Haar bij de ashram van Maharishi Valmiki achter te laten. Shri Lakshman was zeer geschokt toen Hij hoorde wat Zijn broer Hem opdroeg. Hij probeerde Shri Ram op andere gedachten te brengen, maar dit had geen effect. Shri Lakshman had geen keus: Hij moest Zijn schoonzus wegbrengen.

Hij bracht een rijtuig naar de poort van Sita Devi’s paleis. Zij dacht dat Shri Ram Haar wens om de ashrams te bezoeken in vervulling bracht en Ze was vol van enthousiasme. Ze kreeg haldie, kumkum, armbanden en gouden ornamenten mee om aan de vrouwen van de Rishi’s te geven. Zij vertelde iedereen in het paleis dat Ze naar de ashram ging, zo blij was Ze. Kort daarop vertrok Zij. Shri Ram was op dat moment niet aanwezig en dus vroeg Zij Kausalya, Haar schoonmoeder, Shri Ram te vertellen dat Zij was vertrokken.

Shri Lakshman zelf bereed het rijtuig en bracht Zijn schoonzus naar de oevers van de Ganges. Daar dicht in de buurt was de ashram van Maharishi Valmiki gelegen, maar Shri Lakshman ging niet naar de ashram. In plaats daarvan ging Hij naar het bos, waarin de ashram stond. Daar hielp Hij Sita Devi met afstijgen en daarna zei Hij huilend tegen haar: “Shri Ram heeft Mij gevraagd U in het bos af te zetten. Sommige mensen in Ayodhya hebben slecht over U gesproken. Ze beschuldigen Shri Ram ervan U terug te hebben gebracht uit de gevangenis van Ravana. Een koning moet het respect van zijn onderdanen verdienen en daarom heeft Hij besloten U op te geven. Dit doet Hem zeer veel pijn, maar Hij verdraagt het, omdat Hij denkt dat het Zijn plicht is. Ik heb zijn bevelen gehoorzaamd. Ik ben een groot zondaar om U zo in het bos achter te laten. Alstublieft, vergeeft Mij.” Na deze woorden te hebben gesproken raakte Hij Haar voeten aan, liet de huilende Sita Devi in het bos achter en ging terug naar Ayodhya.

Shri Lakshmans woorden kwamen bij Sita Devi aan als een donderslag bij heldere hemel. Ze stond Hem lang na te kijken en zuchtte heel diep. Omdat Ze van verdriet niet meer kon staan, zakte Ze in elkaar en viel op de grond. Zij dacht dat hiermee Haar leven was afgelopen. Moest dit het lot zijn van een vrouw die Haar man als een God zag? Ze huilde en huilde en huilde. Toch gaf Zij de schuld niet aan Haar man, want Zij dacht dat het Haar eigen lot was. Gauw zou Ze moeder worden en ook was Ze moe van de reis. Ze had niks gegeten en Ze was vol van angst, dus dook Ze helemaal ineen. Vermoeidheid begon te overheersen en zorgde ervoor dat Ze in slaap viel.

Sita Devi werd laat in de avond wakker en wist niet waar Ze aan toe was en begon hard te huilen. Toevallig waren er op dat moment leerlingen van Maharishi Valmiki bloemen aan het plukken en ze wilden net weggaan toen ze het gehuil hoorden, maar ze volgden het geluid en kwamen bij Sita Devi terecht.

Ze naderden haar en vroegen: “Moeder, wie bent U? Waarom huilt U? Wat doet U helemaal alleen in het bos? Wij zijn leerlingen van de wijze Valmiki, vreest niet. De ashram van de Guru is niet ver. Komt U maar met ons mee Moeder.”

Toen Zij de naam van Maharishi Valmiki hoorde, voelde Sita Devi zich iets op haar gemak. Ze vermande zichzelf en ging met de leerlingen mee naar de ashram. Eenmaal aangekomen groette Ze de wijze met veel toewijding. Huilend vertelde Ze alles wat Ze meegemaakt had in de afgelopen tijd. Maharishi Valmiki was diep geraakt door het verhaal dat hij hoorde. Op vele verschillende manieren probeerde hij Haar te troosten. Toen verzekerde hij Haar van een plaats in zijn ashram.
Hij vroeg de vrouwen in zijn ashram om op Haar te letten. Hij vertelde hen dat Sita Devi een zeer deugdelijke vrouw was en dat Zij met volledige zorg en aandacht voor haar moesten zorgen.

Na een paar dagen schonk Sita Devi het leven aan twee zoons. Ze waren geboren op een goede dag onder de sterren. De baby’s zagen eruit als twee poppen, die gemaakt waren van maanlicht. Maharishi Valmiki genoot met volle teugen toen hij de twee kleintjes zag. Op de tiende dag na hun geboorte, noemde hij ze Lava en Kusha. Iedereen in de ashram was dol op deze twee kinderen. Er was altijd iemand, die de baby’s verzorgde of met hen speelde. Het deed Sita Devi erg goed om te zien hoe blij iedereen met Haar kinderen was. Naar Haar kinderen kijkend, kon Zij al haar leed vergeten tot grote opluchting van Maharishi Valmiki.

Toen Lava en Kusha al wat ouder geworden waren leerde de Maharishi hen lezen en schrijven. Ook leerde hij de jongens een aantal gebedszangen (bhajans). Beide jongens hadden een prachtige stem tot hun beschikking. Wanneer zij begonnen te zingen dan klonk het nog mooier dan het gezang van een nachtegaal en daardoor was het net alsof iedereen betoverd raakte. Vaak zorgde Maharishi Valmiki ervoor dat de jongens liedjes zongen voor hun moeder. Hun lied plezierde Sita Devi dan net als het goddelijke nectar (Amrit).

De jaren vlogen voorbij en Lava en Kusha waren nu acht jaar oud. Valmiki voerde hun ‘heilige draad ceremonie’ – de Upanayana – uit. Daarna begon hij hen de Veda’s te leren. In deze tijd was hij al klaar met de Ramayan, die hij ook aan de twee jongens onderwees. De kinderen leerden het met heel hun hart. Zij zongen de Ramayan.

Maharishi Valmiki was vervuld van blijdschap. Hij zorgde ervoor dat de twee jongens zijn lange gedicht voor Sita Devi zongen. Haar hart smolt toen zij de Ramayan hoorde, gezongen door twee prachtige stemmen. Hun recitatie gaf de Ramayan een nieuwe dimensie. Sita Devi’s ogen schoten vol met tranen, tranen van vreugde. Maharishi Valmiki was trots op de jongens en hun gezang. Hij vroeg Lava en Kusha de Ramayan te zingen voor iedereen die naar zijn ashram kwam.

Wordt vervolgd…