De dichter der dichters van heel India, die de wereld het onsterfelijke epos, de Ramayan, schonk. Van beroep was hij dief. Hij overviel iedereen op de snelwegen, totdat hij onder de hoede van Narad Muni kwam en een Brahmarishi werd. Hij bezong niet alleen de onmetelijke grootheid van Shri Ram, maar verleende ook onderdak aan diens vrouw Sita Devi en onderwees het epos aan hun zoons.

Maharishi Valmiki
Shri Ram en Sita Mata. Wie heeft niet van deze namen gehoord in India? Ramnavmi is een heilig feest, de geboortedag van Shri Ram. Mensen kijken naar de Ramayan en luisteren keer op keer naar de verhalen van Ram Bhagvaan en Sita Mata. Ze vereren Ram Bhagvaan en Sita Mata met grote toewijding.

Het verhaal van Shri Ram en Sita Devi heet Ramayan. Het is opmerkelijk dat Shri Ram zelf naar de Ramayan heeft geluisterd en zeer tevreden was. Lava en Kusha bezongen het verhaal heel zoet voor Shri Ram en hij wist niet eens dat het zijn eigen zoons waren!

De dichter, die de Ramayan heeft geschreven en het lied en verhaal daarvan aan Lava en Kusha heeft geleerd, was een grote wijze, die Valmiki heette. Hoe deze man een wijze en dichter werd is een heel interessant verhaal.

Maharishi Valmiki’s Ramayan is geschreven in de taal Sanskriet. Het is een heel mooi gedicht. Een lang gedicht zoals dit, dat het verhaal van een zeer grote held verteld, wordt epos genoemd. Maharishi Valmiki’s Ramayan is het eerste epos in het Sanskriet. Daarom wordt het ook wel Adikavya ofwel Eerste Gedicht genoemd. Valmiki wordt ook wel Adikavi genoemd, Eerste Dichter.

De Ramayan kan ook gezongen worden. Het klinkt als muziek in de oren, net als het gezang van een nachtegaal. Valmiki wordt ook wel beschreven als een nachtegaal op de boom van dichtkunst, terwijl hij mooie, zoete liederen zingt. Degenen die de Ramayan lezen, buigen eerst voor de grote Maharishi en wenden zich dan tot het epos.

Uit de mierenhoop 
Valmiki was niet de naam, die de Maharishi van zijn ouders had gekregen. Zijn echte naam luidde Ratnakara. Het woord Valmika betekent in het Sanskriet mierenhoop. Sinds hij uit een mierenhoop was gekomen, werd hij Valmiki genoemd. U vraagt zich nu vast af, hoe hij uit een mierenhoop kwam. Dat is een heel mooi en betoverend verhaal.

Maharishi Valmiki leefde in hetzelfde tijdperk als Shri Ram, dat ook wel Treta Yuga wordt genoemd. In die dagen was er een groot bos gestrekt langs de oevers van de Ganges. Vele wijzen bouwden hun hutten in dat bos voor hun tapas: dat wil zeggen dat zij mediteerden tot God. Onder hen was er een wijze, die luisterde naar de naam Prachetasa. Prachetasa had een zoon, die Ratnakara heette. Toen Ratnakara nog heel jong was, ging hij op een zekere dag het bos in. Terwijl hij aan het spelen was, raakte hij de weg kwijt en begon te huilen. Op dat moment kwam er een jager langs, die op zoek was naar een prooi. Hij zag het jongetje en ontfermde zich over hem. De jager had geen kinderen en nam het jongetje mee naar zijn hut, die in het midden van de jungle stond.

Ratnakara’s vader zocht overal naar zijn zoon, maar het was tevergeefs. Nergens kon hij hem vinden. Uiteindelijk hadden hij en zijn vrouw het idee dat hun zoon de prooi van een wild dier geworden was en waren ze beiden overmand door verdriet en huilden erg veel.

De jager en zijn vrouw voedden Ratnakara met heel veel liefde op en uiteindelijk vergat hij zijn ouders. Nu zag hij de jager als zijn vader en diens vrouw als zijn moeder. Zijn vader leerde hem jagen en omdat hij zo een pientere jongen was had hij het heel snel onder de knie. Hij werd een jager met een zeer goed gevoel voor precisie.

Voor de vogels en andere dieren in het bos werd hij Yama, God van de dood. Toen de tijd was aangebroken zocht zijn vader een bruid voor hem en Ratnakara trouwde met een mooie vrouw, die ook afkomstig was uit een familie van jagers. In een paar jaar tijd baarde zij veel kinderen, dus Ratnakara’s familie groeide en groeide. Het ging zelfs zover dat het moeilijk voor hem was geworden om zijn gezin in genoeg kleding en voedsel te voorzien. Dat heeft ervoor gezorgd dat hij begon te stelen. Hij viel mensen aan die van het ene dorp naar het andere reisden, intimideerde hen en nam hen alles af wat zij hadden. Als zij tegenstribbelden, dan ontnam hij hen het leven.

Op een zekere dag zat Ratnakara langs de weg te wachten op een slachtoffer. Het toeval wilde dat de grote wijze Narad op die dag voorbijging. Hij had zijn favoriete muziekinstrument, de Veena, in zijn hand. Terwijl hij op de Veena speelde zong hij een lied ter ere van God. Hij had er alle plezier in en was dan ook erg blij. Plotseling kwam Ratnakara op hem af. Hij zwaaide dreigend met zijn wapens en schreeuwde: “Kijk hier! Geef alles wat je bezit of ik onthoofd je!”

Maar Narad was geen gewone man. Hij was een goddelijke wijze en zo eentje die overal in de drie werelden (Aarde, Hemel en Onderwereld) rondtrok. Hij was niet bang van het luide geschreeuw van Ratnakara. Daarom sprak hij lachend: “Beste man, alles wat ik heb is deze oude Veena. Als je het wil hebben, dan mag je het zeker meenemen. Waarom moet je mij daarvoor onthoofden?”

Ratnakara stond versteld, nadat hij deze woorden had gehoord. Hij keek naar Narad’s gezicht. Er was geen vleugje angst, maar zeer zeker ook geen woede. Het was slechts vrede, wat van dat gezicht afstraalde. En hoe stralend was dat gezicht! Ratnakara was zeer verrast om een gezicht te zien, dat zo teder en onschuldig was als dat van een kind. Nog nooit had hij zo een behaaglijk gezicht gezien. Terwijl hij naar het gezicht van Narad staarde, veranderden zijn wrede gedachten in tedere.

Narad zat onder een boom te spelen op zijn Veena en zong een lied ter ere van God. Het was een mooi lied, als gezongen door een nachtegaal. Ratnakara was diep geroerd. Narad zag hem veranderen, pauzeerde zijn lied en sprak: “Broer, stelen is een zonde. Levende wezens doden is ook een zonde. Waarom doe je zoveel slechts?”

Ratnakara gaf antwoord: “Sire, wat kan ik doen? Ik heb een groot gezin te onderhouden. Ik heb mijn oude ouders, mijn vrouw en mijn kinderen. Zij maken deel uit van mijn geluk en verdriet. Ik moet hen van eten en kleding voorzien. Jagen en stelen zijn alles wat ik kan. Wat anders kan ik doen?”

De wijze glimlachte en sprak: ”Mijn vriend, zal er ook maar één van je familieleden zijn, die deel uit wil maken van jouw zonden? Ga het ze vragen en breng mij een antwoord terug.”

Ratnakara dacht dat Narad een truc verzon om te kunnen ontsnappen, maar Narad had dat al door en sprak: “Kind, als je mij niet vertrouwt, dan mag je me eerst aan deze boom vastbinden en daarna gaan.”

Ratnakara vond dat een goed idee. Hij bond Narad vast en trok huiswaarts. Toen hij thuis aankwam, ging hij meteen naar zijn vader en zei: “Vader, ik beroof mensen om te zorgen dat jullie genoeg eten en kleding hebben. Dit blijkt een zonde te zijn. Participeert u niet in die zonde?”

Zijn vader werd boos en gaf als antwoord: ”Jij bent een zondaar! Zulke slechte dingen moet je niet doen! Moet ik deelnemen aan jouw zondes? Nee, nooit. Jij zal zelf boeten voor datgene wat jij doet.”

Ratnakara ging vervolgens naar zijn moeder en vroeg haar: ”Moeder, u zult toch wel deelnemen aan mijn zonde?” Maar ook zij schold hem uit en ging weg. Vervolgens ging hij naar zijn vrouw en aan haar vroeg hij: “Weet jij hoe ik geld verdien en ervoor zorg dat jij en je kinderen voedsel en kleding hebben? Dat doe ik door te stelen. Maar ik steel voor jou. Daarom zijn jullie ook medeplichtig aan mijn zonden. Of zie ik dat verkeerd?”

Zijn vrouw was niet blij en zei: “Wat zeg je allemaal? Wat hebben wij te maken met jouw zonden? Jij bent mijn man en mijn kinderen zijn jouw kinderen. Het is jouw taak om voor ons te zorgen en in onze behoeften te voorzien.

Ratnakara’s ogen waren nu geopend. Hij realiseerde zich dat hij de enige was die verantwoordelijk was voor al zijn zonden en niemand anders op de wereld zou met hem hierin meegaan. Toen dit hem duidelijk was geworden, rende hij naar Narad. Hij maakte de touwen los en huilend vertelde hij alles wat er thuis was gebeurd. Hij viel neer voor de voeten van Narad en hij vroeg: “Sire, wat moet er nu met mij gebeuren? Hoe kan ik mijn zondes kwijtschelden? U bent mijn enige redder.”

Narad hielp hem overeind en droogde zijn tranen. Hij troostte Ratnakara met deze woorden: “Wees niet bang. Ik zal je een weg laten zien en als je die bewandelt zal je je zonden van je af kunnen wassen.” Daarom leerde Narad hem de heilige naam van Shri Ram – Ram Naam. Hij zorgde dat Ratnakara onder een boom ging zitten en vertelde hem dat hij de heilige naam moest blijven opzeggen. Hij zei dat hij terug zou komen en totdat hij niet terug zou zijn mocht Ratnakara niet opstaan en weggaan. Na dit alles gezegd te hebben ging de wijze weg.

Ratnakara begon met zijn tapas, namelijk het reciteren van de naam van Shri Ram. Zijn ogen waren gesloten. Met al zijn gedachten concentreerde hij zich op het reciteren van de naam van de Heer. Hij vergat zijn eigen bestaan. Dagen achter elkaar at hij niet en sliep hij niet. Op deze wijze vloog een aantal jaren voorbij. Een mierenhoop groeide om hem heen. Door niemand kon hij nog gezien worden.

Uiteindelijk kwam de wijze Narad op een zeker dag toch weer langs die weg. Hij wist natuurlijk wel dat Ratnakara zich in de mierenhoop bevond. Heel voorzichtig haalde hij de mierenhoop weg, zonder ook maar één mier kwaad te doen. Ratnakara was nog steeds bezig met het reciteren van de naam van Ram en werd niet wakker. Narad fluisterde diezelfde naam toen in zijn oor. Toen opende hij zijn ogen en zag de wijze voor zich staan. Hij groette hem. Narad hielp hem overeind te komen en haalde voorzichtig de overgebleven mieren weg. Ratnakara voelde zich als herboren. Hij raakte de voeten van de wijze aan, Narad tilde hem op en omhelsde hem. Hij sprak tot Ratnakara: “Jij bent gezegend. Vanaf nu ben jij herboren uit een Valmika (mierenhoop), en zal je bekend staan als Valmiki.”

Tranen van vreugde sprongen uit de ogen van Valmiki. Opnieuw groette hij Narad en zei: “Sire, dit alles komt voort uit uw barmhartigheid. Het gezelschap van goede mensen zorgt dat een man stijgt in zijn waarde. Ikzelf ben het bewijs hiervan.” Narad Muni zegende hem en vervolgde zijn weg.

De wijze Valmiki bouwde nu een ashram in de buurt van de rivier de Ganges. Zijn roem snelde hem overal vooruit – vele andere wijzen namen hun familie mee en gingen wonen in zijn ashram. Hun zonen werden de leerlingen van Valmiki.

Op een dag kwamen Shri Ram, zijn vrouw Sita Devi en zijn broer Shri Lakshman naar de ashram van Valmiki. Valmiki’s blijdschap kende geen grenzen. Met hulp van zijn leerlingen wachtte hij op hen met grote vreugde. Zijn leerlingen brachten water, zodat hun handen en voeten gewassen konden worden. Ook legden zij matrassen neer, zodat zij comfortabel konden zitten. Zij boden de gasten ook verse melk en sappige vruchten aan.

Na een tijdje te hebben gerust, vertelde Shri Ram zijn verhaal. Hij was naar het bos gekomen, opdat de belofte van zijn vader vervuld zou worden. Maharishi Valmiki vond het heel mooi om te horen. Hij zei: “Ramchandra, zo waarheidsgetrouw als jij bent, zo is er niemand. Je hebt een koninkrijk opgegeven, opdat de belofte van je vader nagekomen zal worden. Je gaf een troon op om naar het bos te komen. Je bent geen gewone man, maar jij bent de Almachtige zelf. De kracht van je naam is zo groot dat ik veranderd ben van een zondige jager in een wijze, een Brahmarishi. Uw gratie is groot.”

Shri Ram lachte. Toen zei hij tegen Maharishi Valmiki: “O grote wijze, we zijn hier gekomen om bij uw ashram te wonen. Laat ons alstublieft een geschikte plaats zien.” Er was een heuvel in de buurt van Maharishi Valmiki’s ashram. Deze heuvel werd Chitrakuta genoemd. Het was een zeer mooie plaats met vele soorten planten en bloemen. De bomen hier droegen ook veel vruchten. Maharishi Valmiki begeleidde Shri Ram naar die heuvel. Shri Ram woonde een tijdje op die heuvel samen met zijn vrouw en broer.

Wordt vervolgd…