In het vorige deel is beschreven dat het Westen een genocide was begonnen in het oosten. Nu volgen de verschrikkingen waarmee Hindu's te maken kregen.
Hindu’s worden systematisch aangepakt
Het oude gedeelte van Dhaka stond op de lijst om vernietigd te worden, want dat was de thuishaven van vele Hindu’s. De aanvallen op de ongewapende burgers zijn beschreven door Simon Dring:
“De leidende eenheid werd gevolgd door soldaten die bussen met benzine droegen. Wie probeerde te ontsnappen werd doodgeschoten. Wie achterbleef werd levend verbrand. Ongeveer 700 mannen, vrouwen en kinderen stierven daar op die dag tussen 12.00 en 14.00 uur is mij verteld.”
In het Hindugebied van de oude stad dwongen de soldaten regelmatig mensen uit hun huizen te komen en buiten werden ze in groepen neergeschoten. Ook dit gebied werd uiteindelijk bestormd.
De troepen bleven in het oude deel van de stad tot ongeveer 23.00 uur in de nacht van vrijdag 26 maart en reden rond met lokale Bengaalse informanten. De soldaten zouden een lichtkogel afvuren en de informant zou de huizen prijsgeven waar Hindu’s woonden. Die huizen werden dan vernietigd door tanks, terugslagsloze geweren of met een kan met benzine volgens ooggetuigen.
Saturday Review rapporteerde: “Een machingeweer werd geïnstalleerd op het dak van een gebouw in Sadarghat, het havengebied van oud Dhaka. Op 26 maart werden alle burgers binnen het bereik beschoten. Na dit bloedbad werden de lichamen in bussen gesleept, anderen werden verbrand. Weer anderen werden in de Buriganga rivier gedumpt.”
Britse burgers, die uit Dhaka werden geëvacueerd enkele dagen na het begin van de militaire slachtpartijen, hebben verslag gedaan van twee kleine Hindudorpen in de buurt van de renbaan, die waren omringd door het leger. Elke man, vrouw en kind werd afgeslacht. Drie dagen later was er een één meter hoge hoop van lichamen, precies daar waar zij waren beschoten met een machinegeweer.
In slechts één dag werden 15.000 burgers afgeslacht en de soldaten durfden hierover nog op te scheppen:
“Deze zeikerds,” zei een Punjabi luitenant, “zouden ons niet kunnen doden als ze het probeerden.”
“Dingen zijn nu veel beter.” zei een andere officier. “Niemand kan nu wat zeggen of naar buiten komen. Als ze dat doen doden we ze - ze hebben genoeg gesproken - zij zijn verraders en wij niet. Wij vechten in de naam van God en een verenigd Pakistan.”
In naam van God en een verenigd Pakistan was de genocide begonnen. Er werden zelfs extra troepen naar Bangladesh gehaald om de genocide voort te zetten. Het doel was de Oost-Pakistaanse natie te vernietigen, maar Hindu’s in het bijzonder moesten het ontgelden. Ook de Hindu’s die zich tot mohammedaan hadden bekeerd werden niet gespaard, omdat zij aan Hindu-invloeden waren blootgesteld.
Het uitmoorden ging onhinderd door in de zomer van 1971. Het leger trok van het ene dorp naar het andere niets anders dan een spoor van vernietiging achterlatend. De journalist Sydney Schanberg was correspondent voor de New York Times in Dhaka in 1971 en heeft een aantal ooggetuigenverslagen hiervan gepubliceerd:
“Straatnamen worden veranderd. Alle Hindunamen en die van Bengaalse mohammedaanse nationalisten worden verwijderd om de Bengaalse cultuur te elimineren. De Shankari Bazar Road in Dhaka is nu Tikka Khan Road naar de gouverneur van Oost-Pakistan, die door de meeste Bengali’s ‘de Slachter’ wordt genoemd. Sinds het offensief is begonnen hebben de troepen ontelbare duizenden Bengali’s gedood - buitenlandse diplomaten schatten minstens 200.000 tot 250.000 - velen in massaslachtingen. Alhoewel de Bengaalse mohammedanen en de 10 miljoen Hindu’s eerst het doelwit waren, concentreert het leger zich nu op Hindu’s in wat buitenlandse waarnemers karakteriseren als een heilige oorlog. Van de meer dan 6 miljoen Bengali’s van wie geloofd wordt dat ze naar India zijn gevlucht om te ontsnappen aan de terreur van het leger, zijn minstens 4 miljoen Hindu. De troepen doden nog steeds Hindu’s en plunderen en verbranden hun dorpen.”
Aan het eind van juni rapporteerde hij het volgende over de vervolging in Faridpur:
“Het West-Pakistaanse leger heeft grote gele H’s geschilderd op de Hinduwinkels die nog in deze stad staan om het eigendom van de minderheid te identificeren die nu een bijzonder doel is geworden. De veldtocht tegen de Hindu’s was - en is in sommige gevallen nog steeds - systematisch. Soldaten staken elk dorp in lichterlaaie vragend waar Hindu’s woonden. Hindubezit werd geconfisqueerd en verkocht of gegeven aan ‘trouwe’ burgers. Velen van de begunstigden waren Bihari’s, niet-Bengaalse mohammedaanse immigraten uit India van wie velen nu samen met het leger werkten. Het leger heeft wapens gegeven aan grote aantallen Bihari’s en zij zijn vaak degenen die doorgingen met het vermoorden van Hindu’s in gebieden waar het leger vertrok. Legercommandanten in het veld van Oost-Pakistan geven stilletjes toe aan een beleid gericht op de vernietiging van de Bengaalse cultuur, zowel mohammedaans als Hindu - maar Hindu in het bijzonder. In Faridpur - en de situatie was nagenoeg hetzelfde door geheel Oost-Pakistan - was er geen noemenswaardige wrijving tussen Hindu’s en mohammedanen voordat het leger kwam. Het leger probeerde een wig te veroorzaken tussen hen. In april zijn als voorbeeld twee Hindu’s publiekelijk onthoofd op een centraal plein in Faridpur en hun lichamen werden doordrenkt met kerosine en verbrand.”





