Duryodhana ontnam het koninkrijk van de Pandava’s en zond hen naar het bos, maar nog steeds dacht hij dag en nacht aan een ding: hoe kon hij de Pandava’s meer problemen brengen? Een keer kwam Rishi Durvasa bij hem. Duryodhana behandelde hem met grote beleefdheid en vrijgevigheid. De Rishi was erg tevreden. Toen vroeg Duryodhana hem een gunst. Hij vroeg of Rishi Durvasa met 100 van zijn discipelen naar het bos wilde gaan en om de vrijgevigheid van de Pandava’s zou vragen. De Rishi sprak dat met hem af.

Zoals afgesproken ging de Rishi met 100 discipelen van Brahmaanse afkomst naar de Pandava’s. Yudhishthira groette hen respectvol en vroeg hen om zijn gastvrijheid te accepteren. Rishi Durvasa was het ermee eens. Hij ging met zijn discipelen baden en offerde gebeden voor de maaltijd, maar Draupadi was in angst. Zij had ook haar maaltijd opgegeten. Hoe kon zij honderden anderen eten geven en hen tevreden stellen? Rishi Durvasa stond bekend om zijn verschrikkelijke woede. Als hij zijn ogen opende in woede, kon hij zijn slachtoffers tot as verbranden. Dus nu kon Draupadi zich alleen tot Shri Krishna wenden en ze offerde gebeden in haar geest tot Hem: ”Ohh Krishna, alleen U en niemand anders kan ons beschermen. Help ons!” En Shri Krishna stond in eigen persoon voor haar! “Ik heb honger. Wat kan je mij geven?”, sprak Hij.

Draupadi was erg blij dat Shri Krishna was gekomen en haar gebeden waren verhoord, maar haar vat was leeg. Wat kon ze Hem geven? Ze zei: ”Shri Krishna, we hebben een groot probleem.” Ze vertelde Hem over de komst van de Rishi met zijn discipelen en haar hulpeloosheid. Shri Krishna zei: ”Breng je vat hier.” Draupadi haalde het vat, maakte het schoon en gaf dit aan Hem. Ergens in het vat was een klein stukje groente. Shri Krishna zette dit in zijn mond en Hij zei dat Zijn honger gestild was.

Rishi Durvasa en de Brahmanen keerden terug na het baden in de rivier Yamuna. Plotseling voelde iedereen dat ze een grote maaltijd hadden gehad met heel veel hapjes. Durvasa zegende de Pandava’s: ”Jullie rechtvaardigheid zal jullie altijd beschermen.”, zei hij.

De lage Jayadratha
Draupadi’s problemen waren nog niet voorbij. Jayadratha was de koning van Sindhudesha en was getrouwd met Dusshale, de dochter van Dhritarashtra. Ook hij was naar de Svayamvara van Draupadi geweest, maar was onsuccesvol. Hij kon haar niet met zijn moed krijgen. Hij dacht dat ze aangetrokken kon worden met rijkdom. Hij wachtte op een listige manier op het moment dat Draupadi alleen was. Hij ging naar haar toe en overlaadde haar met dure juwelen. Draupadi weigerde alles. Jayadratha dwong Draupadi in zijn strijdwagen en vluchtte weg. De wijzen die in de buurt waren renden naar Bhima en Arjuna en informeerden hen. Ze waren erg woedend en volgden de strijdwagen onmiddellijk. Met een enkele slag haalde Bhima de ontvoerder neer. Maar Yudhishthira vroeg hem om Jhayadratha niet te doden. Bhima schopte Jayadratha en stond toe dat hij wegrende.

Alweer in gevaar
De periode van twaalf jaar in het bos was voorbij. De volgende taak van de Pandava’s was een jaar lang incognito door het leven moeten gaan. Hoe konden vijf beroemde helden, met een erg mooie vrouw, voor een vol jaar ongekend blijven? Zouden de Kaurava’s stil blijven zitten?

Het zou erg moeilijk zijn voor Draupadi, omdat ze een vrouw was. De Pandava’s dachten lange tijd na en ze namen een beslissing. Yudhishthira vermomde zichzelf als een vrome Brahmaan. Hij nam de naam Kanka Bhatta aan en ging naar Virata, de koning van het land Mathsya. Bhima sloot zich aan bij de keukendienst van Virata, met de naam Valala. Arjuna, bekend als Brihannala, wijdde prinsen in in de danskunst. Nakula deed mee aan verzorging van de koninklijke paarden en Sahadeva begon op het dagboek van het paleis te passen.

Draupadi ging naar koningin Sudeshna en smeekte om een van haar bedienden te zijn. De koningin was meer dan verrast door de schoonheid van Draupadi. Toen vroeg ze haar: “Wie ben jij? Waar kom je vandaan?” “Ik ben de vrouw van de vijf Ghandharva’s die goddelijke muzikanten zijn. Ik ben een expert op het gebied van haar. Ik zal bij u voor een jaar blijven en dan weer weggaan.” Koningin Sudeshna was erg blij en nam haar in dienst.

Draupadi, de dochter van de machtige koning Drupad, de vrouw van de Pandava’s die de hele wereld konden veroveren, zij die zat op de troon als een keizerin en geaccepteerd was door Shri Krishna Zelf als Zijn zus, was nu een slaaf van koningin Sudeshna. Toch kon zij haar mannen zien die in hetzelfde paleis waren en dit was een troost. Maar problemen kwamen eraan!

Keechaka is gedood
Keechaka was koningin Sudeshna’s broertje en een erg sterke man. Toen hij Draupadi gezien had, werd hij geraakt door haar grote schoonheid en vroeg zijn zus: “Wie is deze erg mooie vrouw?” Sudeshna had de slechte gedachten van haar broertje in de gaten en hiervoor was ze bang. Ze antwoorde: “Broer, hoewel zij een bediende is van mij, is zij een erg deugdzame vrouw. Zij is de vrouw van de vijf Ghandharva’s.” Zonder de kennis van de koningin, smeekte Keechaka Draupadi: “Genoeg van deze dienst. Kom en wordt mijn koningin.”

Draupadi waarschuwde hem: “Vergeet het om aan zulke slechte dingen te denken. Anders zal jij net een zwakke jongen zijn, die in een kolkende rivier springt om aan de overkant te komen.” Ze rende weg, maar Keechaka volgde haar als een kwade geest. Eigenlijk was hij haar aan het achtervolgen. Draupadi rende vol angst weg. Ze trad de koninklijke zaal binnen. Daar was koning Virata. Kanka Bhatta en Valala waren ook daar. Keechaka duwde haar woedend weg en liep weg. Zijn ogen gloeiden van angst. Draupadi was nu als een cobra wiens hoofd was aangeraakt. Zij stormde uit woestheid: “Iedereen kijkt passief toe wanneer een man een vrouw wegduwt! Is dit de beschaafdheid van een koning?” De kok Valala – die Bhima in vermomming was – siste uit woede. Hij staarde naar een boom alsof hij tak zou ontwringen en daarmee Keechaka zou doden, maar Yudhishthira zei slim: “Kok Valala, waarom oog jij op die boom? Laat je nu nog niet overnemen door woede. Er is nog tijd.” Hij troostte ook Draupadi en stuurde haar terug.

Maar Draupadi kon haar woede en kwelling niet meer onder controle houden. Die nacht ging ze naar bed en huilde en huilde. In de dood van de nacht ging ze heel stil naar Bhima en zei honend: “Terwijl Keecheka mij mishandelt, ben jij aan het mediteren met gesloten ogen?” “Ik wilde hem doden” zei Bhima, “maar Yudhishthira kwam in de weg. Wacht een paar dagen.” Draupadi was woedend en zei: “Ik ben gekomen, omdat ik je geloof en vertrouw. Met vijf helden als mijn echtgenoten, is er niemand om mijn eer te beschermen. Yudhishthira is altijd gebonden aan rechtvaardigheid en moraal. Arjuna is bezig met het lesgeven in de dans. Nakula en Sahadeva zijn niet sterk genoeg. Nadat jij je in de kookkunsten bent gaan verdiepen zijn jouw armen ook zwak geworden. Maar wat kon jij doen? Jij bent hieraan niet schuldig, maar het zijn er niet een of twee beledigingen die ik heb geleden. Ik geef jullie mensen alleen maar problemen, ik ben de bron van alle problemen. Geef me op z’n minst de toestemming om te sterven.” Bhima’s hart voelde medelijden door haar toestand en hij zei : “Word rustig. Zorg ervoor dat Keechaka naar de danszaal komt en dan zal ik hem een les leren.”

De volgende dag kwam Keechaka naar het vertrek van de koningin en alweer begon hij Draupadi te volgen en te pesten, maar wat een verrassing: zij leek hem nu wel te mogen en ze zei tegen hem: “Kom in de nacht naar de danszaal.” Keechaka’s vreugde kende nu helemaal geen grenzen meer. Hij ging die nacht naar de danszaal. Bhima sloeg hem neer, maar Keechaka was ook geen gewone man. Hij was een held tussen alle helden. Er vond een geweldig gevecht plaats en Bhima doodde hem. De volgende dag was een commotie ontstaan in Virata Nagara. De stad was vol met geruchten. Koningin Sudeshna huilde het uit verdriet. Keechaka’s broers brandden van woede omdat vanwege Draupadi, hun oudste broer was vermoord. Ze waren vastberaden om ook haar mee te laten verbranden met Keechaka’s lichaam en grepen haar vast. Hoe kon een hulpeloze vrouw zoveel slechte mensen weerstaan? Bhima ging rustig naar de crematie. Hij ontwortelde een aantal bomen, nam ze met zich mee en sloeg de slechte mannen dood.

Sudeshna riep Draupadi en zei tegen haar met gevouwen handen: “Er is genoeg schade aangebracht. Alsjeblieft ga weg.” “Nog maar een paar dagen en dan zullen mijn mannen me wegbrengen”, zei Draupadi.

Een jaar was voorbijgegaan. De Pandava’s en Draupadi gaven hun vermomming op en verschenen in hun ware gestalte. Koning Virata was gevuld met vreugde. Hij vierde het huwelijk van zijn dochter Uttara met Abhimanyu, de zoon van Arjun en Subhadra.