Alleen nadat je gestraft bent…
Nog steeds kwam Duryodhana’s trots niet omlaag: “Dan wat als haar saree oneindig is geworden, zij is mijn slaaf in mijn paleis!” zei hij gemeen. Draupadi’s woede kwam haar de keel uit en ze schreeuwde om wraak. Zij vervloekte hem uit woede, zij gilde naar Dusshasana: “Alleen als jij gestraft bent voor deze zonde, zal ik mijn haren vastbinden. Tot die tijd niet.” Iedereen in de rechtzaal vreesde voor haar verschrikkelijke vloek. De Aarde trilde. Kometen vulden de lucht. Overal waren slechte voortekens. Bhima, die de kracht van wel honderd olifanten had, was tot nu toe stil vanwege zijn oudere broer. Nu kende zijn woede geen grenzen meer: “Ik zal deze zondaar Duryodhana in elkaar slaan tot moes. En ik zweer Dusshasana’s borst open te scheuren en zijn bloed te drinken.”
Bhishma en Drona berispten Dhritarashtra: “Waarom ben je stil na het horen van deze slechtheid? Jij hebt de vloek gehoord uit het hart van een heel goedaardige vrouw, Draupadi. Dit kan het einde van jouw familielijn betekenen.”
Dhritarashtra was ook bang en zei tot Draupadi: ”Je zou je niet geschaamd hoeven te hebben. Jij bent inderdaad een goede en eerlijke vrouw. Vraag mij om een gunst.” Draupadi vroeg om de vrijheid van haar mannen. Dhritarashtra gaf ook hun koninkrijk terug en probeerde hen te troosten.

De Pandava’s in het bos
De Kaurava’s waren boos. Zij hadden het koninkrijk gewonnen door grote sluwheid, maar hun vader had alles terug gegeven. Hoe konden ze het nog een keer terug krijgen? Zij besloten dat de enige manier was om nog een keer te gaan dobbelen. Een andere uitnodiging werd gestuurd naar Yudhishthira om te komen spelen. De kant die verloor, moest zijn koninkrijk opgeven en twaalf jaar in het bos blijven, en daarna nog een jaar elders gaan wonen zonder herkend te worden. Als ze zouden worden herkend door iemand gedurende die periode, dan zouden ze nog eens twaalf jaar in het bos moeten blijven en weer een jaar incognito. Dit was de voorwaarde van de wedstrijd.

Yudhishthira had weer verloren. De Pandava’s gaven hun koninklijke kleding op en trokken andere kleren aan. Draupadi volgde haar mannen. In het paleis zou ze in luxe leven. Maar nu, door elke steen en doorn, viel bloed van haar neer op de grond.
Zo begon het bosleven van de Pandava’s. Shri Krishna was de geliefde Bhagvaan van Draupadi. Hij vergat Zijn devoten niet in het bos en bracht ze zo nu en dan een bezoek. Veel wijzen bezochten ook de Pandava’s en begeleidden hen.
Surya Dev gaf Yudhishthira een magisch vat. Dit vat werd niet leeg tot Draupadi’s maaltijd door haar opgegeten was. Dus iedereen kon altijd goed eten. Draupadi zou als laatst eten. Hierna kon het vat de hele dag niet meer gebruikt worden. Dus zelfs in het midden van alle hardheid en lijden van het bosleven, had Draupadi toch ergens wel wat vrede.