De Pandava’s keerden terug naar hun huis. Uit blijdschap schreeuwden ze tot hun moeder: “Moeder, we hebben voor jou een onbetaalbaar geschenk meegebracht.” Kunti was in het huis en zei: “Verdeel het eerlijk met je broers.” Het woord van een moeder moet gehoorzaamd worden en dit maakte Drupad bezorgd. Toen zei de grote Maharishi Vyas dat Draupadi geboren is om de vrouw van de vijf Pandava’s te worden. Hij zei dat de kracht van haar braafheid de Pandava’s levend uit het brandende paleis heeft gehaald. Drupad was tevreden.
De bruiloft vond plaats met grote pracht in het bijzijn van Bhagvaan Krishna. Draupadi werd de vrouw van de vijf Pandava’s. Bhishma, de oudste van de koninklijke familie van de Kurus, en Drona, de grote Guru, waren beide erg blij. Zij vertelden Dhritarashtra dat de Pandava’s nog steeds in leven waren dankzij Gods genade; zij adviseerden om hen de helft van het koninkrijk te geven. De Kaurava’s leken aan de buitenkant blij te zijn. De zonen van Pandu hadden nu hun eigen koninkrijk. Zij maakten van Indraprastha hun basis. Na een tijd hadden ze de grote yagya (offer) van Rajasuya uitgevoerd. Een grote en prachtig hal was geconstrueerd.
Shri Krishna hield Zelf het toezicht tijdens het uitvoeren van het Rajasuya ritueel. De Kaurava’s hadden geen zin om de pracht van hun neven te zien, toch waren zij gegaan. Helaas schaamde Duryodhana zich daar. In het nieuwe paleis dacht hij dat een vijver een gepolijste vloer was en hij viel in het water. Draupadi lachte hierom. De ogen van de Kaurava koning werden helemaal rood als vuur. Verderop zag hij een vloer schijnen met hoge glans en dacht dat het een vijver was; dus hij tilde zijn kleren op zodat ze niet nat zullen worden. Weer was er een golf aan gelach hierom. Duryodhana brandde van schaamte. En hij zwoer wraak.

De grote brandstapel
Na een paar dagen had Duryodhana een uitnodiging verstuurd naar Yudhishthira om te gokken. Yudhishthira was erg dol op gokken, maar hij was geen expert. Shakuni, de mama (moeders broer) van de Kaurava’s was een zeer ervaren speler, dus wat kon er allemaal gebeuren? Yudhishthira bleef maar verliezen. Hij zette zijn strijdwagen, paarden en olifanten op het spel en verloor alles. Hij verloor zijn koninklijke schatten, zette zijn bedienden op spel en verloor ook deze. Ook verloor hij zijn koninkrijk. Uiteindelijk werden hij en zijn vier broers de slaven van de Kaurava koning.
En toch zei Shakuni weer: “Dit is het laatste spel. Als je wint, zal alles wat je verloren hebt tot nu toe, weer terugkrijgen. Gebruik Draupadi als inzet. Win je alles terug.” Yudhishthira was gestresst door het gokken. Hij dacht niet eens een seconde na over hoe dom zijn actie was. Zoals alle gokkers zeggen zei hij ook: “Ja!” De dobbelsteen was gegooid en de Kaurava’s hadden gewonnen.

Draupadi’s enige bescherming – Gods genade
Duryodhana barstte uit in een bezeten gelach. “Wie is daar? Draupadi is nu mijn slaaf. Sleep haar hierheen!”, beval hij. De Pandava’s voelden zich alsof hun harten waren neergestoken. Zij lieten hun hoofden hangen uit schaamte. Nu besefte Yudhishthira aan welke adharmische actie hij schuldig was, maar het was nu te laat en spijt was nu niet van toepassing.
Draupadi was in haar koninklijke kamer. Duryodhana’s boodschapper, zijn broer Dusshasana ging naar haar en zei: ” Yudhishthira heeft jou verloren in een gokspel en Duryodhana heeft gewonnen. Dus nu moet je in mijn vaders paleis dienen.”
Draupadi was bedwelmd. Ze zei: “Kan iemand zijn vrouw vergokken in een dobbelspel? Als Yudhishthira zichzelf eerder had verloren, had hij het recht niet om mij in het spel te vergokken. Heeft koning Yudhishthira eerst zichzelf of mij ingezet in het spel? Vind dat uit en kom dan terug.” Dusshana ging terug naar de rechtzaal.
Na het horen van deze woorden werd Duryodhana erg boos. “Een vrouwelijke slaaf moet geen scherpe worden uitspreken. Ga en sleep haar bij haar haren hiernaartoe!”, schreeuwde hij. Van nature was Dusshasana slecht en nu was hij bevolen door zijn oudere broer. Dus wat kon zijn arrogantie nog begrenzen? Hij sleepte Draupadi bij haar haren naar de koninklijke rechtzaal. Duryodhana zei grof tot haar: ”Yudhishthira heeft alles verloren. Uiteindelijk heeft hij jou ingezet. Nu ben je mijn slaaf.”
Het was erg druk in de zaal. Veel van de mensen waren ouderen zoals Dhritarashtra, Bhishma, Drona, Kripa en Vidura. Draupadi keek hen allemaal vurig in de ogen aan op zoek naar hulp, maar niemand zei iets terug.
Alle ouderen waren stil. De onderdanen stonden versteld. Haar echtgenoten zaten met gebogen hoofden. “In een rechtszaal horen rechtvaardigheid en eerlijkheid te bestaan, jullie zijn een groep rovers!” zei Draupadi. Dusshasana grijnsde en uitte slechte woorden. Bhima was als een vulkaan. Hij barstte in woede uit:”Ik zal de handen van Dusshasana verbranden!”
De oude Bhishma adviseerde Duryodhana en zei: ”Breng de koninklijke familie van de Kurus niet tot schande.” Maar Duryodhana lachte alleen maar wreed en hij beval Dusshasana: “Een slaaf mag geen koninklijke kleed dragen. Grijp haar saree weg.” Dusshasana zou zijn schoonzus moeten hebben gerespecteerd als zijn eigen moeder, maar de slechte man begon aan haar saree te trekken.
Draupadi’s tranen en gejammer zouden een steen bewogen hebben uit medelijden. Ze smeekte alle ouderen om haar te beschermen. In tranen vertelden ze hen: “Onteerd worden is net als doodgaan. Alstublieft helpt mij.” Ze keerde zich tot de vijf Pandava’s en zei: ”Mijn vader had vertrouwen in de kracht van jullie en gaven mij aan jullie. In een open gelegenheid word ik onteerd, maar jullie zitten met gevouwen handen. Schamen jullie je niet?” Maar alle woorden waren tevergeefs. Zij was de dochter van koning Drupad, zij was de vrouw van de Pandava helden, die alle andere koningen hadden verslagen en het grote Rajasuya offer hadden uitgevoerd. Maar wanneer zij wordt beledigd en onteerd in een open gelegenheid, is er niemand daar om haar te beschermen en te helpen.
Draupadi huilde en snikte: “Oh Shri Krishna! U bent altijd vriendelijk tot uw aanbidders. Alstublieft verlaat mij niet, niemand zou dat mogen doen. Oh, Beschermer van de hulpelozen. U bent mijn enige hulp.” Zij sloot haar ogen: haar geest was gericht op Shri Krishna.
Wonder boven wonder werd Draupadi’s saree nu eindeloos. Dusshasana ging maar door met het trekken van haar saree. De saree begon zich op te hopen. Dusshasana’s handen werden moe.