Men bevond zich in het donkere tijdperk van India toen de mohammedanen het Hinduvolk terroriseerden. De beruchte Aurangzeb was de leider van deze barbaren, die India aan het plunderen waren en het volk zaten uit te roeien. In dit tijdperk leefde ook de Sikh Guru Tegh Bahadur.

De Brahmanen van Kashmir, geleid door Pandit Kirpa Ram kwamen in 1675 in de stad Anandpur aan om bescherming te zoeken bij Guru Tegh Bahadur tegen Aurangzeb en zijn mensen. De Hindu’s moesten extra belastingen betalen, werden gemaakt tot slaven en ondervonden ondenkbare wreedheden, omdat zij zich niet wilden bekeren tot het mohammedanisme. Hun vrouwen, dochters en zusters werden verkracht en meegenomen door de troepen van Aurangzeb. Hun Mandirs en bedevaartplaatsen werden vernietigd. Er werd van alles gedaan om het Hinduvolk te demoraliseren en te vernietigen. Zij smeekten Guru Tegh Bahadur om een oplossing en hij antwoordde: “Zulke wreedheden kunnen alleen gestopt worden door de zelfopoffering van een groot persoon.”

Op dat moment kwam de pas 8-jarige zoon van Guru Tegh Bahadur, Gobind Rai (later Guru Gobind Singh), binnen en zag zijn vader diep nadenken. Hij gaf een mogelijke oplossing door te zeggen: “Wie is groter dan u, o vader?” Guru Tegh Bahadur wist gelijk wat zijn Dharm was. Hij zei tegen de Brahmanen uit Kashmir: “Zeg tegen Aurangzeb dat als hij jullie Guru kan bekeren, jullie allen ook zullen bekeren.” Pandit Kirpa Ram bracht de boodschap over en Aurangzeb liet de Guru ontbieden. Guru Tegh Bahadur voerde een ceremonie uit en benoemde zijn zoon Gobind Rai tot de volgende Guru. Zijn drie aanhankelijke leerlingen, Dyal Das, Sati Das en Mati Das eisten dat zij met hem mee mochten gaan.

Aurangzeb was naar het zuiden vertrokken en riep de Guru op in de hoofdstad Delhi. De Guru werd in een ijzeren kooi opgesloten en op een olifant vervoerd. Zijn drie leerlingen werden aan handen en voeten geboeid en in een kar naar Delhi gebracht. Zij kwamen op 5 november 1675 aan en werden gevangen gehouden in de Katwali-gevangenis.

Een schrijver van Aurangzeb, Syed Mohammed Latif schreef: “De keizer had vele religieuze discussies met Tegh Bahadur. Hij vroeg hem wonderen te verrichten om te bewijzen dat hij een echte heilige was. Hij vroeg bewijs om aan te tonen dat zijn religie de juiste was, anders zou hij zich moeten bekeren tot het mohammedanisme.” De Guru antwoordde dat een wonder verrichten hetzelfde was als het bemoeien met Gods werk en dat zou erg onrespectvol zijn tegenover God.
Wat betreft zijn tweede optie zei hij dat hij zijn religie goed genoeg vond en het onnodig vond om zich te bekeren tot het mohammedanisme. Aurangzeb gaf de opdracht de Guru te dwingen te bekeren door hem zo zwaar mogelijk te martelen. Na een marteling van vijf dagen werd op 10 november 1675 het meest laaghartige en wrede tafereel, dat de Guru ooit had gezien, uitgevoerd terwijl hij opgesloten zat in een ijzeren kooi. Aurangzeb dacht hierdoor de Guru bang genoeg te maken, zodat hij zich zou bekeren.

Dyal Das, Mati Das, Sati Das en de Guru werden op het plein van de Katwali-gevangenis gebracht, waar heden ten dage een fontein staat. (Mati en Sati Das waren broers die beiden eerst priesters (Brahmanen) zijn geweest van de regio Jammu, die later onder de Guru gingen studeren). Allereerst werd Mati Das gevraagd zich te bekeren tot het mohammedanisme. Hij antwoordde dat het Sikhisme de ware weg voor hem was en niet het mohammedanisme. Als God het mohammedanisme beter vond, dan zouden alle mannen besneden geboren zijn. Hij werd onmiddellijk vastgebonden tussen twee grote palen en terwijl hij rechtop vastgehouden werd, begonnen ze hem door midden te zagen, van zijn hoofd tot aan zijn kruis. Hij heeft dit met zoveel moed en kalmte ondergaan dat Sikhs zijn naam in hun dagelijkse gebeden nog steeds noemen (Ardas). Dyal Das schold Aurangzeb en zijn mensen uit voor hun laagheid en laffe mentaliteit. Hij werd over het hele lichaam vastgebonden met een ijzeren ketting, waarna ze hem in een grote ketel met kokende olie gooiden en zo werd hij levend gebraden. Sati Das, die ook vastgebonden was, kon alleen nog de barbaren uitschelden. Hij werd in stukken gehakt.

Dit tafereel geschiedde voor de ogen van Guru Tegh Bahadur. De hele tijd bleef hij Gods naam herhalen. Hij bleef kalm en concentreerde zijn emoties, gevoelens en gedachten op God. Hij wist dat zulke onsterfelijke opofferingen nooit verloren konden gaan. Hun namen zouden voor altijd herinnerd worden. In deze slachting zag hij de komst van een land van helden. Hij hield zijn belofte aan de Brahmanen uit Kashmir in gedachten en herhaalde toen steeds het volgende:

Bah Jinahn di pakariye, Sar dije bah na chhoriye, Tegh Bahadur bolya, Dhar payae dharma na choriye. 

Offer je hoofd op, maar laat hen die je hebt gezworen te beschermen niet in de steek. Tegh Bahadur zegt je, offer je leven op, maar verlies je Dharm nooit.

De volgende ochtend werd de Guru vroeg wakker. Hij nam een bad en ging mediteren. Hij bad en dacht terug aan de grote opoffering die zijn grootvader, Guru Arjan Dev, had gedaan en de opoffering, die hij nu moest maken. Hij wist precies wat hem te doen stond. Rond elf uur werd Guru Tegh Bahadur gebracht naar de plaats van executie in Chandni Chauk, waar de Gurudwara Sis Ganj (Sikh tempel) nu staat. De Qazi, belangrijke officieren, en de beul Sayyid Jalal-Ud- Dun van Samana stonden al te wachten. Een leger van Aurangzeb bakende Chandni Chauk af. Een grote groep mensen was daar bijeen gekomen tot net buiten de afbakening. De Qazi vroeg de Guru om een wonder te verrichten of zich tot het mohammedanisme te bekeren of de dood te accepteren.

Syed Mohammad Latif schrijft: “De Guru zei tegen de assemblee van Omerahas dat de mens moest bidden tot God en niet doen alsof hij God was, maar omdat hij opdracht had gekregen van de keizer om een wonder te verrichten accepteerde hij het. Hij schreef op een stuk papier, dat hij betoverd achtte en bond het om zijn nek. Hij zei dat de zwaard van de beul hem niet meer kon deren. De beul kreeg de opdracht om dit te testen. Hij zwaaide met zijn zwaard en tot verbazing van de menigte viel het hoofd van de Guru op de grond”. (Latif, blz 260, History of Punjab, hij staat bekend vanwege zijn anti-Sikh geschriften).

Na de executie van de Guru werden zijn hoofd en lichaam op een olifant geplaatst en door de straten van Delhi geparadeerd. Hierna werden ze bij Katwali teruggebracht. Aurangzeb gaf opdracht de delen van het lichaam overal in de stad op te hangen.

Jaita, Nanu en bewoners van Dilwali Gali (een wijk in Delhi), waren Sikhs die samen met Uda van Ladwa en Lakhi Lubana besloten om het lijk van hun Guru niet te laten als trofee voor de mohammedanen. Op 12 november 1675 slopen zij rond de stad en in Katwali om hun Guru’s lijk mee te nemen. Het lichaam van de Guru werd in het huis van Lakhi voorbereid op crematie. Omdat crematies ‘s avonds verboden waren wachtten zij tot de zon opkwam.

Toen de officieren van Katwali ontdekten dat het lijk was verdwenen werd de politie door de stad gestuurd om de daders op te sporen. Lakhi cremeerde de Guru’s lichaam in zijn eigen huis en verbrandde zijn huis. Hierdoor beschermde hij zichzelf tegen de officieren. Op de plaats van de Guru’s crematie staat nu de Gurudwara Rakab Ganj (Sikh tempel).

Jaita, Nanu en Uda brachten het hoofd van de Guru naar Guru Gobind Singh (de zoon van Guru Tegh Bahadur) in Kiratpur. Op 16 november 1675 na 320 kilometer te hebben gereisd lieten zij Guru Gobind Singh halen van Anandpur (8 km van Kiratpur). Guru Gobind Singh cremeerde zijn vaders hoofd en toonde zijn dank aan de drie mannen.

Het effect van de heldendaad van de Guru en zijn leerlingen was dat alle Hindu’s van alle stromingen geschokt waren door de executie. Hun opoffering veranderde de toekomst van de Sikhs en Punjab. De zoon van de Guru, Guru Gobind Singh, zag in wat het volk moest doen. Guru Nanak beschreef de mohammedaanse heersers als honden en tijgers. Guru Gobind Singhs overgrootvader, de vijfde Guru, Guru Arjan, was geëxecuteerd in Lahore. Zijn grootvader Guru Hargobind was twaalf jaar lang opgesloten. Zijn vader werd onthoofd, omdat hij leider was van een andere religie. In de 200 jaar na Guru Nanak was er niets veranderd in de manier waarop de Hindu’s werden behandeld door de mohammedaanse barbaren. Guru Gobind Singh kwam tot de conclusie dat er een nationaal leger gevormd moest worden, die volgens het sociale recht en de eer zou handelen. Dit leger moest geïnspireerd zijn door nationalisme en liefde voor het land. Hij vormde het concept van de “Khalsa” (de perfecte Sikh). In 100 jaar tijd beëindigden zij niet alleen de mohammedaanse heerschappij, maar weerhielden de vijanden ervan om vanuit het noordwesten India binnen te vallen.

Stukken vertaald uit: Encyclopedia of Sikhism by Harbans Singh ji. Uitgegeven door Punjabi university, Patiala History of the Sikhs by Dr. Hari Ram Gupta, Punjab university.