Eens kwamen de vier oudste zonen van Heer Brahma (de Schepper), de Kumara’s, aan de poorten van Vaikuntha, de transcendentale wereld. Bij de ingang stonden twee poortwachters: Jaya en Vijaya. Aangezien de poortwachters de Kumara’s niet kenden, weigerden zij hen de toegang tot Vaikuntha.

Door deze overtreding werden Jaya en Vijaya vervloekt om driemaal geboren te worden in de materiële wereld en dat als vijanden van Heer Vishnu. Zij zouden drie keer door de Heer zelf gedood moeten worden. Dan pas zouden zij verlost zijn en terug mogen keren naar Vaikuntha. De eerste keer werden zij geboren als Hiranyaksha en Hiranyakashipu. Deze twee broers teisterden iedereen die op hun pad kwam.

In zijn Varaha-incarnatie doodde heer Vishnu Hiranyaksha. Hiranyakashipu was furieus en zwoer de dood van zijn broer te wreken. Hij besloot zware boetedoeningen te ondergaan om zodoende de machtigste man in het universum te worden en daarmee Heer Vishnu en de Devta’s te vernietigen. Teneinde de staat van onsterfelijkheid te bereiken, onderwierp hij zich aan extreme zelfkastijding. Zo stond hij 125 jaar lang op de toppen van zijn tenen, met zijn armen ten hemel gestrekt. Hiermee trok hij de aandacht van Heer Brahma. Vergezeld door grote wijzen en de Devta’s ging Heer Brahma naar de plaats waar Hiranyakashipu boetedoeningen deed. Heer Brahma begreep dat hij een speciale gunst wilde verkrijgen.

“Wel, zeg mij welke zegening je van Mij verlangt. Je hebt jezelf zoveel ontzegd, dat Ik Mij geroepen voel je hiervoor te belonen”, zei Heer Brahma. Hiranyakashipu uitte hierop de wens dat hij onsterfelijk wilde worden.

Heer Brahma lachte: “Mijn beste Hiranyakashipu, van al hetgeen je wensen mag, kan Ik juist die wens niet in vervulling doen gaan. Iedere andere wens zal Ik echter gaarne vervullen.” “Schenk mij dan de zegening dat geen enkel levend wezen, door U geschapen, in het universum, mij kan doden, dat ik nooit zal sterven gedurende de dag, noch gedurende de nacht, noch ter land, ter zee of in de lucht, noch door het toedoen van enig wapen, noch binnenshuis, noch buitenshuis”, zei Hiranyakashipu. Heer Brahma stemde toe en Hiranyakashipu waande zich nu toch onsterfelijk.

Toen Hiranyakashipu vertrok om zijn boetedoeningen te verrichten, was zijn vrouw, Kayadu, zwanger. De grote heilige, Narad Muni, had haar meegenomen naar zijn ashram. In zijn ashram onderwees Naradji Kayadu dagelijks de heerlijkheden van Heer Vishnu uit het Shrimad Bhagavatam. Ook het kind in haar buik hoorde deze wondermooie en wijze lessen om deze vervolgens nooit meer te vergeten. Uit het verhaal kunnen we vernemen dat deze jongen, Prahlad, elke gelegenheid benutte om God te aanbidden. Hij beschikte al op zeer jonge leeftijd over bijzonder veel geestelijke kracht en wijsheid, dankzij de lessen die hij al in zijn moeders schoot verkregen had. Pas nadat Hiranyakashipu zijn zegening van Heer Brahma had ontvangen, keerde hij terug naar zijn hoofdstad en kreeg hij voor het eerst zijn zoon, Prahlad, te zien.

Hiranyakashipu was de dood van zijn broer niet vergeten. Hij beschouwde Heer Vishnu als zijn aartsvijand. Met zijn nieuwe macht, onderwierp hij het hele universum aan zijn heerschappij en nam de troon van Indra Dev, op de hemelse planeten, in. Hij riep zichzelf uit tot God, omdat hij zichzelf onsterfelijk waande en uitermate machtig was. Iedereen mocht alleen hem vereren. Toegewijden van Heer Vishnu werden vervolgd, gekweld en gemarteld. Aan de tirannie van Hiranyakashipu leek geen eind te komen…

Ondertussen had hij Prahlad naar school gestuurd om onderwezen te worden in de demonische levenswijze. Toen Hiranyakashipu echter vernam dat uitgerekend zijn eigen zoon op school over Heer Vishnu predikte, ontstak hij in grote woede. Hij verbood Prahlad ten strengste om over Heer Vishnu te spreken.

Prahlad was echter absoluut niet onder de indruk van zijn vaders dreigementen. Hij was een zuivere toegewijde en liet zich op geen enkele wijze bij het ten uitvoer brengen van zijn levensmissie – het verspreiden van Gods woord – belemmeren. Dit leidde tot een onherstelbare breuk met zijn vader, die nu alles in het werk stelde om zijn zoon van het leven te beroven.

Hiranyakashipu riep zijn lijfwachten bij zich en zei: “Deze jongen heeft zijn eigen familie opgegeven en dient onze grootste vijand, Vishnu. Hij is niet te vertrouwen, dood hem!” Aldus, door hun koning bevolen, begonnen de lijfwachten op Prahlad in te hakken en hem te steken met hun wapens. Maar doordat Prahlad volledig opging in zijn devotionele meditatie op Heer Vishnu, konden de wapens hem op geen enkele manier deren. Tot het uiterste getergd, probeerde Hiranyakashipu van alles om Prahlad te doden.

Hij wierp zijn zoon van een rots in een diepe afgrond, maar de jongen bleef ongedeerd. Vervolgens liet hij de giftigste slangen aandragen, maar als zij op Prahlad werden losgelaten, bleken zij ongevaarlijk. Hij liet wilde olifanten opdraven om Prahlad te laten vertrappen, mengde vergif door zijn eten, maar telkens opnieuw werd Prahlad op wonderbaarlijke wijze door de tussenkomst van Vishnu, zijn geliefde Heer, aan wie hij zich zo volledig overgegeven had, van de dood gered.

Ten einde raad, riep Hiranyakashipu de hulp in van zijn zuster, Holika. “Holika, jij bezit bijzondere krachten. Jij moet met Prahlad op een brandstapel gaan zitten. Door jouw toverkracht zullen de vlammen je niet deren en zal alleen hij verbranden.” Dit leek Holika een goed plan.

Zijn dienaren bouwden een grote brandstapel waarop Holika, met Prahlad op haar schoot, plaatsnam. Ze staken de brandstapel aan en in een mum van tijd stond hij in lichterlaaie. Na enige tijd begon het vuur te doven. Van Holika was niet veel meer over dan een hoopje as, maar Prahlad kwam springlevend uit het vuur!

Verbijsterd schreeuwde Hiranyakashipu: “Alle heersers van het universum beven voor mijn macht! Waar haal jij de kracht vandaan om mij niet te gehoorzamen?” “Oh, vader,” antwoordde Prahlad, “de bron van mijn kracht is dezelfde als die van u en alle andere levende wezens, de Allerhoogste Heer Vishnu! Aanbidt Hem, vader.” Nu verloor Hiranyakashipu zijn laatste restje zelfbeheersing. “God?!! Waar is die God van jou?!” “Mijn God is overal aanwezig”, zei Prahlad. “Overal?” Hiranyakashipu trok zijn zwaard. “Zit hij ook in deze pilaar?” “Zeker”, antwoordde Prahlad rustig. “Ik zal je eigenhandig onthoofden en ik wil zien hoe jouw dierbare God jou zal beschermen!” Hierop sloeg de machtige demoon met een enkele houw van zijn zwaard de pilaar aan diggelen… Op dat moment klonk er een enorm gedonder dat in alle hoeken van het universum te horen was. In een oogverblindend licht stond daar de Heer in zijn Narasingha (half mens, half leeuw) gedaante. De Heer had deze gedaante aangenomen, omdat Hij zo noch de vorm had van een God en noch die van een mens of dier.

Heer Narasingha droeg Hiranyakashipu naar de drempel van de paleiszaal. Daar trok de Heer hem op zijn schoot en met zijn nagels doodde Hij de slechte demoon.

Zo kwam er een eind aan de gruweldaden van Hiranyakashipu, die dacht onsterfelijk te zijn geworden door de zegen van Heer Brahma. Hij werd niet overdag of ‘s nachts gedood, maar precies tijdens zonsondergang, in de schemering. Hij werd niet ter land, ter zee of in de lucht gedood, maar op de schoot van de Allerhoogste Heer. Hij werd niet door enig wapen gedood, maar door de nagels van de Heer. Niet binnens- of buitenshuis, maar op de drempel van de paleiszaal, kwam hij aan zijn einde. Zo werd geen enkele belofte van Heer Brahma gebroken.

Heer Narasingha zegende Prahlad. Na de overlijdensrituelen van zijn vader te hebben voltooid, plaatsten de heiligen Prahlad op de troon. Terwijl hij voortdurend op de Heer mediteerde, regeerde hij wijs.